Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:5557
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,141 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9792
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. P.R. Klaver als waarnemer van de gemachtigde van eiser, S. Korkis als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2001 en de Somalische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 17 juli 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft met verwijzing naar het overnameakkoord van 22 november 2023 gemotiveerd dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming op de grond dat eiser eerder met een geldig door de Franse autoriteiten verstrekt visum het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen. Eiser heeft dit niet bestreden.
3. Verweerder heeft daarnaast gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om af te zien van de overdracht aan Frankrijk. In de gronden van beroep ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andere conclusie. In het geval van overdracht aan een andere lidstaat wordt er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit gegaan dat die lidstaat zijn Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen tegenover de vreemdeling naleeft. Dit geldt ook in het geval van Frankrijk. Eiser heeft niet onderbouwd waarom volgens hem niet vaststaat dat hij zal worden toegelaten tot de asielprocedure in Frankrijk of waarom zijn asielverzoek in Frankrijk niet op zorgvuldige wijze zal worden behandeld.
4. Ook in de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 januari 2024 wordt overwogen dat in het geval van Frankrijk wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Slechts in die specifieke zaak was er volgens zittingsplaats Groningen aanleiding om daar niet langer van uit te gaan. De vreemdeling in die zaak had zijn bezwaren tegen overdracht met individuele stukken onderbouwd. Eiser stelt onder verwijzing naar bedoelde uitspraak dat in Frankrijk onvoldoende zekerheid bestaat dat hij in aanmerking komt voor opvang, maar hij heeft dat verder niet met stukken onderbouwd. De enkele verwijzing naar die uitspraak is onvoldoende om in het algemeen of ten aanzien van eiser persoonlijk te twijfelen aan het recht op opvang of aan de mogelijkheid om in Frankrijk succesvol te klagen over het eventueel tekortschieten van de Franse autoriteiten.
5. Aangezien eiser niet aannemelijk heeft weten te maken dat de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in Frankrijk systematische gebreken kent, is er geen ruimte voor verdere toetsing aan artikel 3 van het EVRM.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2024:424.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.