Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:5406
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,093 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat eiser de zware grond 3a en de lichte grond 4a niet heeft bestreden. Deze gronden kunnen samen de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
2. Ook de beroepsgrond dat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd slaagt niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de staatssecretaris zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat het lichter middel niet opweegt tegen het risico op onttrekking zoals volgt uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. De staatssecretaris heeft daarbij voldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht. Zoals de staatssecretaris namelijk heeft toegelicht, kan eiser ondanks zijn bereidheid daartoe niet zelfstandig naar Duitsland vertrekken, omdat hij geen documenten heeft waarmee hij legaal kan uitreizen. Dat eiser bereid is zelfstandig te vertrekken heeft dus geen aanleiding hoeven vormen voor het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.