Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:5370
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15303
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1
Verzoeker behoort tot de groep derdelanders met een tijdelijke verblijfsrecht in Oekraïne die na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht en hier tijdelijke bescherming kregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
1.2.
Bij besluit van 21 februari 2024 (het terugkeerbesluit) heeft de staatssecretaris aan verzoeker medegedeeld dat deze tijdelijke bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 eindigt en dat hij binnen vier weken na deze datum Nederland moet verlaten.
1.3.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Daarnaast heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling om verzoeker niet te beschouwen als derdelander die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Ook heeft verzoeker verzocht om opheffing van het terugkeerbesluit.
1.4.
De gemeente Apeldoorn heeft bij brief van 5 april 2024 aan verzoeker te kennen gegeven dat hij vanaf 2 april 2024 geen recht meer heeft op opvang.
1.5.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Als tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 april 2024. Voor de personen in deze uitspraak is een voorlopige voorziening getroffen. De situatie van verzoeker is gelijk te stellen aan de situatie van de personen waarvoor een voorlopige voorziening is getroffen.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe. Het treffen van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker voorlopig niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang in Nederland behoudt en dat hij in Nederland mag blijven werken.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst ziet hij aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van €875,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4786.