Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:5333
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,747 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2766
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder
(gemachtigden: mr. I. Colen en mr. F. Hoeseini).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de buitenbehandelingstelling van hun aanvraag om bijzondere bijstand. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 22 februari 2022 buiten behandeling gesteld.
Met het bestreden besluit van 5 april 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting hebben zowel verweerder als eisers nog nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft in deze stukken geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Totstandkoming van het besluit
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eisers hebben op 31 januari 2022 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor verhuiskosten en de kosten van de eerste huur.
1.2.
Verweerder heeft eisers bij brief van 3 februari 2022 gevraagd om in het kader van hun aanvraag vóór 17 februari 2022 een aantal gegevens op te sturen. In de brief staat dat het recht op uitkering zonder deze gegevens niet kan worden vastgesteld en dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen als de gevraagde gegevens niet volledig of niet tijdig zijn ontvangen. In het rapport naar aanleiding van de aanvraag is geconcludeerd dat de gevraagde gegevens niet zijn ontvangen.
1.3.
Vervolgens heeft verweerder de aanvraag met het primaire besluit op grond van artikel 4:5, eerste lid en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat eisers de gevraagde gegevens niet hebben ingediend. Verweerder heeft de buitenbehandelingstelling gehandhaafd in het bestreden besluit.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. Eisers hebben aangevoerd dat de gevraagde stukken wel tijdig zijn ingeleverd. De gemachtigde van eisers heeft de gevraagde stukken volgens eisers op 15 februari 2022 per email opgestuurd naar de gemeente Rijswijk. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers een kopie van de e-mail van 15 februari 2022 overgelegd, waarop te zien is dat de gemachtigde deze e-mail om 13:57 uur heeft verzonden naar het e-mailadres stadhuis@rijswijk.nl. Eisers hebben ook een kopie overgelegd van een ontvangstbevestiging van 15 februari 2022 om 13:58 uur die is verzonden vanaf het emailadres stadhuis@rijswijk.nl.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gevraagde stukken niet zijn ontvangen. De e-mail van 15 februari 2022 is volgens verweerder niet bekend in het registratiesysteem van de gemeente Rijswijk en uit het systeem kan niet worden afgeleid dat de ontvangstbevestiging is verstuurd.
5. De rechtbank oordeelt als volgt.
Juridisch kader
6. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Oordeel
7. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om de authenticiteit van het door eisers overgelegde emailbericht en de ontvangstbevestiging in twijfel te trekken. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat de email niet is ontvangen en dat niet gebleken is dat een ontvangstbevestiging is verstuurd, maar dit standpunt is niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens – bijvoorbeeld een ontvangst- of verzendadministratie – onderbouwd. Onder deze omstandigheden hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij tijdig hebben voldaan aan het verzoek van verweerder om hun aanvraag aan te vullen.
7.1.
Omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2, eerste lid en artikel 7:12 van de Awb zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze kosten worden begroot op € 1.674,- in beroep (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 837,- per punt en wegingsfactor 1,0). Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder ook het griffierecht ter hoogte van € 50,- aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten aan eisers moet vergoeden van € 1.674,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht aan eisers moet vergoeden van € 50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.