Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:5292
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,963 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13375
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: M. Lorier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 25 december 2023 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 3 april 2024.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Vietnamese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan de laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 13 maart 2024, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt in het kader van haar uitzetting naar Vietnam. Eiseres heeft een e-mail overgelegd van de Head of Consular and Administrative Affairs in Hanoi. In deze e-mail staat dat de Nederlandse ambassade in Hanoi geen contact heeft opgenomen met de Vietnamese autoriteiten betreffende eiseres haar LP-aanvraag. Om die reden is volgens eiseres geen sprake van een effectief ingediende LP-aanvraag.
5. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat de LP-aanvraag op juiste wijze is ingediend en dat deze aanvraag ook in behandeling is genomen door de Vietnamese autoriteiten. Verweerder licht in zijn verweerschrift toe dat hij contact heeft met een vaste contactpersoon binnen de Nederlandse ambassade in Hanoi. Verweerder kan niet verklaren waarom de Head of Consular and Administrative Affairs niet op de hoogte lijkt te zijn van de documentatie en informatie-uitwisseling tussen enerzijds verweerder en de Nederlandse ambassade in Hanoi en anderzijds tussen de Nederlandse ambassade in Hanoi en de Vietnamese autoriteiten. Verder stelt verweerder dat de Vietnamese autoriteiten op 21 maart 2024 een verzoek om aanvullende informatie naar de Nederlandse ambassade in Hanoi hebben verzonden betreffende eiseres haar LP-aanvraag. Verweerder heeft dit verzoek om aanvullende informatie op 28 maart 2024 ontvangen.
6. In reactie op het verweerschrift stelt eiseres dat verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn het verweerschrift heeft ingediend. Verweerder heeft hiermee in onvoldoende mate voortvarend gewerkt. Daarnaast voert eiseres aan dat uit de reactie van de Vietnamese autoriteiten volgt dat al op 2 februari 2024 om meer informatie is verzocht en dat verweerder dit verzoek pas op 28 maart 2024 heeft ontvangen. Gelet op het tijdsverloop is daarom sprake van onvoldoende voortvarend handelen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Er is geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft aan verweerder verzocht om een verweerschrift in te dienen uiterlijk op 2 april 2024 om 12.00 uur. Verweerder heeft de rechtbank voor het verstrijken van de termijn telefonisch meegedeeld dat het verweerschrift enkele uren later door verweerder wordt toegevoegd aan het digitale dossier. Vastgesteld wordt dat verweerder het verweerschrift circa drie uur buiten de door de rechtbank gestelde termijn heeft ingediend. De rechtbank stelt vast dat het verweerschrift is ingediend voor het sluiten van het onderzoek. Het verweerschrift heeft daarnaast een beperkte omvang. Ook blijkt uit het dossier dat eiseres een reactie heeft ingediend op het verweerschrift. Op grond van deze omstandigheden is niet gebleken dat eiseres in haar belangen is geschaad, dan wel dat sprake is van strijd met de goede procesorde doordat verweerder het verweerschrift niet heeft ingediend binnen de door de rechtbank gestelde termijn.
8. Verweerder handelt voldoende voortvarend. Hij heeft aangetoond dat de LP-aanvraag van eiseres is ingediend bij de Vietnamese autoriteiten en dat deze ook in behandeling is genomen. Hoewel in het verzoek om aanvullende informatie van de Vietnamese autoriteiten de datum van 2 februari 2024 wordt genoemd, bevat het dossier geen concrete aanknopingspunten dat het verzoek van 2 februari 2024 tot 28 maart 2024 is blijven liggen bij de Nederlandse ambassade in Hanoi of bij verweerder. In dat verband is van belang dat verweerder een schermafdruk aan het dossier heeft toegevoegd waaruit blijkt dat de contactpersoon van de Nederlandse ambassade het verzoek om aanvullende informatie van de Vietnamese autoriteiten op 21 maart 2024 per e-mail heeft ontvangen. Op 28 maart 2024 heeft verweerder vervolgens het verzoek om aanvullende informatie van de Vietnamese autoriteiten via de contactpersoon van de Nederlandse ambassade ontvangen. Dit is voldoende voortvarend.
9. Bij de beoordeling of voortvarend is gehandeld wordt ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verweerder sinds de inbewaringstelling van eiseres vier keer een vertrekgesprek met eiseres heeft gehouden. In het verslag van het meest recente vertrekgesprek van 20 maart 2024 staat dat eiseres nogmaals is gewezen op het belang van het verstrekken van aanvullende informatie over haar identiteit en contactgegevens in Vietnam. Tot het sluiten van het onderzoek heeft eiseres geen medewerking verleend aan het verstrekken van aanvullende informatie en heeft zij verklaard niet terug te willen keren naar Vietnam. Eiseres onderneemt daarmee geen actie die haar uitzetting naar Vietnam kan bespoedigen.
10. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraken van 15 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:524, 13 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1981 en 15 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3871.
Laissez-passer.