Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:5255
Strafrecht
Op tegenspraak
4,396 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/842264-18
Datum uitspraak: 12 april 2024
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ( [postcode] ) te [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 april 2019 (regiezitting) en 29 maart 2024 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A.C. Frijns naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 20 juni 2018 te Honselersdijk, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1084, althans een groot aantal, aluminium veilingkarren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Royal Flora Holland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Op specifieke standpunten zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat niet de gehele tenlastegelegde periode bewezen kan worden verklaard, maar moet worden ingekort tot medio mei 2018 tot en met 27 juni 2018, de dag van aanhouding. Op specifieke verweren zal – voor zover relevant – hierna worden ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het ten laste gelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk (grotendeels) bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de ten laste gelegde periode zal de rechtbank een aanvullende bewijsoverweging geven.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018161032, van de politie eenheid Den Haag, district Westland - Delft, basisteam Westland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 375).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 maart 2024;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens Royal Flora Holland, opgemaakt op 18 juni 2028 (p. 55 t/m 58, inclusief bijlagen p. 59 t/m 113);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juni 2018 (p. 139 t/m 142, inclusief bijlagen p. 143 t/m 158);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 juni 2018 (p. 199-201, inclusief bijlagen p. 202 t/m 212);
5Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 juli 2018 (p. 285);
6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 juli 2018 (p. 286, inclusief bijlagen p. 288 t/m 294);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 juli 2018 (p. 295-296, inclusief bijlagen p. 297-298);
8Het proces-verbaal bevindingen, opgemaakt op 3 oktober 2018 (p. 373 t/m 374);
9. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , op 1 juli 2019 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;
10. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , op 1 juli 2019 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.
Aanvullende bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode. Anders dan de verdediging, is de rechtbank wel van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van een periode voorafgaand aan medio mei 2018. De rechtbank komt uit op een periode van tot 9 april 2018 tot en met 20 juni 2018. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet eerder dan medio mei 2018 de door de medeverdachte weggenomen veilingkarren van Flora Holland heeft ingeleverd bij Sloperij [bedrijfsnaam] B.V., gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] . Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de historische telefoongegevens van de verdachte blijkt echter dat de telefoon van de verdachte al voor het eerst uitstraalt in [plaats] op 9 april 2018. Uit het inkoopregister van Sloperij [bedrijfsnaam] B.V. blijkt voorts dat er op 9 april 2018 een inlevermoment geweest is, waarbij het emballagegewicht van de levering is vastgesteld op 216 kilogram. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] , die werkzaam is bij de sloperij, blijkt dat nadat er begin 2018 een aantal keren dezelfde hoeveelheid veilingkarren werden ingeleverd, de sloperij het vermoeden had dat er nog vaker vergelijkbare leveringen zouden komen. Omdat niet al het materiaal van de veilingkarren gebruikt kon worden, heeft de sloperij besloten een vast emballagewicht vast te stellen voor de leveringen van de veilingkarren. Het emballagegewicht is door de sloperij vastgesteld op 18 kilogram per veilingkar, wat bij het inleveren van 12 veilingkarren neerkomt op een totaal emballagegewicht van 216 kilogram. Voorts hebben zowel [getuige 1] als Vromans, eveneens werkzaam bij de sloperij, verklaard dat het vaststellen van een vast emballagewicht niet gebruikelijk is en daarom kenmerkend is voor de inlevermomenten van de veilingkarren door de verdachte en/of zijn medeverdachte.
Gelet op het feit dat de verdachte steeds 12 of 24 veilingkarren naar de sloperij heeft gebracht, wat overeenkomt met een emballage van 216 kilo en 432 kilo, in combinatie met het feit dat de telefoon van de verdachte vanaf 9 april 2018 in de omgeving van de sloperij heeft uitgestraald, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich vanaf 9 april 2018 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging van de veilingkarren van Royal Flora Holland.
De rechtbank gaat niet mee in het door de verdediging gevoerde verweer dat het inkoopregister van de sloperij als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt omdat de sloperij een dubieuze onderneming is. Uit het proces-verbaal van de analyse van het inkoopregister blijkt immers dat de sloperij de wegingen nauwkeurig heeft bijgehouden.
Beoordeling
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van een groot aantal veilingkarren van Royal Flora Holland. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte door het wegnemen van deze veilingkarren enorme (financiële) schade aangericht en heeft die schade nog op geen enkele wijze vergoed. De verdachte heeft enkel en alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft daarbij op geen enkele wijze respect getoond voor de belangen en eigendommen van Royal Flora Holland.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 februari 2024.
De verdachte is in de afgelopen vijf jaren niet veroordeeld voor strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte waar de rechtbank in de beoordeling van de straf rekening mee dient te houden.
Straf
Gelet op de ernst van het feit, is als straf in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. De rechtbank ziet evenwel, gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest en het tijdsverloop waarbij de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden, geen aanleiding om op dit moment nog een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen die hoger is dan het reeds ondergane voorarrest.
De rechtbank acht, alles afwegende, de straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Royal FloraHolland heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van Royal FloraHolland hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 457.620,00. In een civiele procedure is de verdachte reeds hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 657.620,00. Daarvan is € 200.000,00 voldaan door een derde. Het restant is volgens de officier van justitie toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat Royal FloraHolland niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van Royal FloraHolland al is afgehandeld via de civiele weg.
7.3
Beoordeling
Ten aanzien van de vordering van Royal FloraHolland staat vast dat de verdachte bij onherroepelijk geworden civielrechtelijk vonnis van 28 november 2018 hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 657.620,00. Uit het civiele vonnis kan worden opgemaakt dat het gaat om schade ten aanzien van 1.000 stapelwagens. Wat betreft het toegewezen bedrag is – zo blijkt uit de onderbouwing van Royal FloraHolland – € 200.000,00 voldaan door een derde, zodat een bedrag van € 457.620,00 nog openstaat.
In een civiele procedure is dus reeds een schadevergoeding toegekend ten aanzien van het bewezenverklaarde strafbare feit. De benadeelde partij heeft niet (voldoende) toegelicht in hoeverre er nu nog belang is bij behandeling van de vordering in het strafproces. Ook is onvoldoende onderbouwd of en in hoeverre er aanvullende schade is die voor toewijzing in aanmerking komt. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor het bedrag dat kan worden gerelateerd aan het bewezenverklaarde feit en rekening houdend met het bedrag van € 200.000 dat reeds aan Royal FloraHolland is voldaan. Uitgaande van het hiervoor genoemde totaalaantal van 1.000 stapelwagens is dit een bedrag van € 457.620. De rechtbank zal het bedrag van de op te leggen schadevergoedingsmaatrel – dat neerkomt op € 457,62 per stapelwagen – evenwel naar rato aanpassen aan het aantal stapelwagens dat in de bij de verdachte bewezenverklaarde periode is weggenomen. Uit de registratie van sloopbedrijf [bedrijfsnaam] volgt dat er in de periode van 9 april 2018 tot 20 juni 2018 46 keer een lading karren is weggebracht. In alle gevallen ging het om een emballage van 216 kilogram, wat zich vertaalt naar 12 karren per keer. Het totaal aantal karren dat in de periode is weggebracht betreft daarmee 552. Het gaat daarmee om een schadebedrag van in totaal (552 x € 457,62) € 252.606,24. De rechtbank zal voor dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen. In het dictum wordt rekening gehouden met bevrijdende betalingen door de medeverdachte of door anderen.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 45 (vijfenveertig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
De vordering van de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij Royal FloraHolland niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de partijen ieder hun eigen proceskosten dragen;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van Royal FloraHolland te betalen € 252.606,24, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 360 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij Royal FloraHolland tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
bepaalt dat als de medeverdachte dan wel een derde de vordering deels of geheel aan de benadeelde partij of de Staat heeft betaald, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.A.M. Veraart, voorzitter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2024.