Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:5174
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,289 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39414
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam moeder], eiseres, V-nummer: [v-nummer moeder]
mede namens haar minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. A.E. Sojo en mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
In het besluit van 20 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van een mvv opnieuw ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2024 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder waren aanwezig [naam referent], referent, en de moeder van referent en eiseres. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Breda.
Beoordeling
Griffierecht
1. Van de indiener van een beroepschrift bij de bestuursrechter wordt griffierecht geheven. Eiseres heeft het verzoek gedaan om van de betaling hiervan te worden vrijgesteld. Eerder heeft de rechtbank dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat eiseres naar voren heeft gebracht over haar inkomen, en gelet op het door haar ondertekende formulier, ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Van eiseres zal dan ook geen griffierecht worden geheven.
Feiten
2. Eiseres is geboren op [geboortedag moeder] 1997 en heeft de Syrische nationaliteit. Haar broer [naam referent] treedt in deze procedure op als referent. Dit betekent dat hij bij verweerder een mvv, dat is een visum voor lang verblijf, heeft aangevraagd waarmee eiseres en haar twee minderjarige kinderen naar Nederland kunnen overkomen. Op 8 januari 2021 heeft referent in Nederland een asielvergunning gekregen. Op 16 maart 2021 heeft hij niet alleen voor eiseres en haar twee kinderen, maar ook voor zijn moeder, zijn vier andere zussen en zijn twee broers een mvv aangevraagd. In het besluit van 8 december 2021 heeft verweerder de aanvraag, voor zover die betrekking heeft op zijn moeder, zijn vier andere zussen en zijn twee broers, ingewilligd.
3. In een ander besluit van 8 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor eiseres en haar twee kinderen echter afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van eiseres en haar twee kinderen alsmede de familierechtelijke relatie met referent wel aangetoond, maar is er geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er zijn namelijk geen hechte persoonlijke banden tussen eiseres en referent, tussen eiseres en haar minderjarige broers en zussen, tussen de kinderen van eiseres en referent, en tussen de kinderen van eiseres en haar broers en zussen. Ook is er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar moeder. Wel is het mogelijk dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen de moeder van eiseres en haar kinderen. Dit is echter niet verder onderzocht, omdat de belangen van eiseres en haar kinderen om tot Nederland te worden toegelaten niet opwegen tegen de belangen van de Nederlandse Staat.
4. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 17 januari 2023 is referent gehoord door de hoorcommissie van verweerder. In het besluit van 22 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
5. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 september 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:4617) is het daartegen door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard, is het besluit van 22 maart 2023 vernietigd, en is verweerder opgedragen om binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. In deze uitspraak is onder meer geoordeeld dat niet valt in te zien dat tussen eiseres en referent geen hechte persoonlijke banden zouden bestaan ondanks het feit dat zij tot aan het vertrek van referent naar Nederland jarenlang hebben samengewoond. Daarnaast is geoordeeld dat de door verweerder gemaakte belangenafweging niet kan worden gevolgd, omdat daarbij niet van de juiste gezinsbanden is uitgegaan. Daarbij is van belang dat verweerder volgens diens werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM’ een kleinere beoordelingsruimte heeft omdat sprake is van kinderen in het gezin.
6. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. In aanvulling op het standpunt over de familierechtelijke relatie vindt verweerder dat het overlijden van [naam echtgenoot] (de echtgenoot van eiseres en de vader van haar twee kinderen) wel aannemelijk is gemaakt. Verder volgt verweerder eiseres in haar standpunt dat wel sprake is van hechte persoonlijke banden tussen haarzelf en referent, tussen haar kinderen en referent, tussen haar kinderen en haar moeder, en tussen haar kinderen en haar broers en zussen die nu bij referent in Nederland wonen. Verweerder handhaaft echter zijn standpunt dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar moeder en dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Daarbij wegen alleen de hechte persoonlijke banden in het voordeel. In het nadeel weegt de afwezigheid van gezinsleven tussen eiseres en haar moeder, de aard en intensiteit van het gezinsleven, dat niet zodanig is dat het contact niet op afstand kan plaatsvinden (zodat aan de objectieve belemmering voor referent om naar Syrië te gaan minder waarde wordt gehecht), de sterkere binding met Syrië ten opzichte van Nederland, het belang van de kinderen om bij hun moeder en hoofdverzorger te blijven, het economisch belang van Nederland, het restrictief toelatingsbeleid van Nederland, en de afwezigheid van bijzondere omstandigheden.
Standpunten in beroep
7. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat er tussen haarzelf en haar moeder wel sprake is van gezinsleven. Daarnaast is er volgens eiseres een onjuist en te restrictief toetsingskader gehanteerd bij het maken van de belangenafweging. Er zou geen sprake moeten zijn van bijzondere omstandigheden, aangezien de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2023 al heeft geoordeeld dat er sprake is van een kleinere beoordelingsruimte.
8. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat een juiste belangenafweging is verricht. Alleen bij hoge uitzondering kan er aanleiding zijn om aan eiseres een mvv te verlenen, omdat het gaat om een meerderjarig gezinslid met kinderen die heel hun leven buiten Nederland hebben doorgebracht. Dat zij door een aardbeving dakloos zijn geworden is niet bijzonder, want dat geldt voor veel Syriërs. Het is niet in het belang van de kinderen om van hun moeder te worden gescheiden. Het contact kan op afstand plaatsvinden. Het economisch belang van Nederland is terecht zwaar in het nadeel meegewogen.
9. In de reactie op het verweerschrift geeft eiseres een nadere onderbouwing van haar standpunt dat er geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dat door het vertrek van referent en haar moeder de intensiteit van het gezinsleven is afgenomen, mag niet worden tegengeworpen omdat dit vertrek noodgedwongen was. Het contact dat is ontstaan door de samenwoning sinds 2016 is niet vergelijkbaar met het huidige contact via videobellen. De betekenis van de objectieve belemmering mag niet worden tenietgedaan. Er kan dan ook geen betekenis worden toegekend aan het netwerk in Syrië, en de binding met Nederland dient zwaarder te wegen. Dat net als eiseres en haar kinderen ook anderen in Syrië vanwege een aardbeving dakloos zijn geworden en niet naar school kunnen, is geen redelijke overweging. Niet onderkend is dat eiseres als hoofdverzorger ook meekomt naar Nederland. Het economisch belang moet volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens flexibel worden toegepast. Eiseres en haar kinderen zijn geen bedreiging voor de woningmarkt in Nederland omdat zij bij de moeder van eiseres kunnen intrekken. Ten slotte voert eiseres aan dat zij en haar kinderen kerngezinsleden van referent zijn in de zin van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn), zodat ten onrechte geen belangenafweging in de zin van artikel 17 van deze richtlijn heeft plaatsgevonden.
Oordeel van de rechtbank
10. Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat ten onrechte geen belangenafweging heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Eiseres en haar kinderen zijn niet aan te merken als kerngezinsleden van referent zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn (de echtgenoot en de minderjarige kinderen). En dat betekent dat de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinshereniging geen andere is dan de belangenafweging die moet plaatsvinden in het kader van artikel 8 van het EVRM.
11. Gelet op de hiervoor besproken uitspraak van de rechtbank van 19 september 2023 staat al vast dat er geen gezinsleven bestaat tussen eiseres en haar moeder. Eiseres kan dus ook niet worden gevolgd in haar stelling dat verweerder dit in het bestreden besluit ten onrechte (opnieuw) heeft besloten. Waar het in deze zaak echter om gaat, is de vraag of het gezinsleven met referent aanleiding had moeten zijn om aan eiseres en haar kinderen een mvv te verlenen. Hij is immers de aanvrager.
12.
Conclusie
16. Gelet op het voorgaande heeft er in het bestreden besluit opnieuw geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres (deels) gelijk krijgt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.
17. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het ligt nu namelijk op de weg van verweerder om alsnog een deugdelijke belangenafweging te verrichten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen. Wel ziet de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb aanleiding om te bepalen dat verweerder het nieuwe besluit binnen zes weken moet nemen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres en haar kinderen al erg lang op de uitslag van deze procedure moeten wachten, mede vanwege twee eerdere gegronde beroepen.
18. Omdat eiseres is vrijgesteld van het griffierecht, hoeft er geen griffierecht vergoed te worden. Wel ziet de rechtbank in het gegrond verklaren van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.750, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750 (zeventienhonderdvijftig euro) aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtiging tot voorlopig verblijf.