Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:5122
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,235 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7406
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en T. Ayash als tolk.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit.
2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, vanwege de pushbacks die plaatsvinden. Daarnaast kan eiser geen bescherming krijgen van de autoriteiten, is het inwilligingspercentage zeer laag en zijn er problemen met de opvang. Daarnaast is het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar. Daarnaast heeft eiser verklaard dat degene voor wie eiser vreest, [naam] , contacten heeft in Kroatië. De Kroatische autoriteiten kunnen hem daartegen niet beschermen. Hij is onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over zijn ervaringen en asielmotieven. Verweerder heeft eisers verklaringen onvoldoende meegewogen en ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
6. Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan laten vallen. In geschil is daarom enkel nog de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening en of verweerder voldoende gelegenheid heeft gegeven te verklaren over zijn ervaringen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de verklaringen van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien de asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard te vrezen voor [naam] en zijn contacten in Kroatië. Hij heeft zijn verklaringen echter niet onderbouwd. Verweerder heeft hierover ook niet hoeven doorvragen, omdat de Dublinverordening ziet op het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. Hierbij zijn de asielmotieven niet relevant. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij bij eventuele problemen gaat klagen bij de autoriteiten in Kroatië. Niet is gebleken dat deze hem niet kunnen of willen helpen. Deze omstandigheid leidt daarom niet tot de conclusie dat overdracht getuigt van een onevenredige hardheid.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.