Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:5118
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,362 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7357
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland.
1.1.
Kort samengevat heeft verweerder dit verzoek met het besluit van 30 november 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 17 februari 2022 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft dit besluit ingetrokken en op 10 februari 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit II). Hierbij heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via een telefonische verbinding, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, tevens is namens verweerder mr. [naam] verschenen en N. Vakili, tolk.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 17 september 2021 heeft eiser verzocht om hem en zijn gezin over te brengen van Afghanistan naar Nederland. Eiser stelt in 2008 tolkwerkzaamheden te hebben verricht in dienst van ASG op de Nederlandse basis Tarin Kowt in de provincie Uruzgan. Hij heeft aangevoerd dat hij hierbij hoog profiel werkzaamheden heeft verricht en daarom risico loopt op vervolging door de Taliban. Verweerder heeft dit verzoek van eiser afgewezen, omdat hij niet voor overbrenging in aanmerking komt. Eiser is niet opgeroepen tijdens de acute evacuatiefase en behoort ook niet tot een van de twee groepen waarvoor een speciale voorziening is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 (hierna: de Kamerbrief). Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het daarvoor van doorslaggevend belang is dat eiser niet rechtstreeks in dienst was bij het ministerie van Defensie, maar bij een externe dienstverlener.
3. In het verweerschrift heeft verweerder te kennen gegeven dat hij eiser volgt in zijn standpunt dat het niet van doorslaggevend belang kan zijn dat eiser niet rechtstreeks in dienst was van verweerder. Verweerder heeft er echter op gewezen dat eiser niet behoort tot de afgebakende groep Afghanen waar de speciale voorziening op ziet, omdat eiser niet werkzaam was in een voor het publiek zichtbare functie. Hij verrichte zijn werkzaamheden in het kamp voor de commandant van ASG en trad niet naar buiten met Nederlandse militairen. Verder heeft hij ook niet aangetoond ten minste een jaar structureel werkzaamheden te hebben verricht voor Defensie.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser betoogt dat hij valt onder het bereik van de motie-Belhaj. Eiser heeft verder een expliciet verzoek heeft gedaan op grond van de Tolkenregeling, maar hier is ten onrechte niet aan getoetst. Daarnaast behoort eiser tot een van de groepen waarvoor een speciale voorziening is getroffen in de Kamerbrief. Eiser stelt daartoe dat hij wel degelijk heeft gewerkt in een voor het publiek zichtbare functie. Zo wijst hij erop dat hij zichtbaar was op de momenten dat hij naar het kamp toe moest om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten. Bovendien stelt hij eveneens bij bezoekers tolkwerkzaamheden te hebben verricht. Dit wordt bevestigd door Nesar Ahmad, de voormalig kampcommandant. Het is aan verweerder te wijten dat deze informatie niet in het dossier zit, nu er geen (telefonische) hoorzitting heeft plaatsgevonden. Verder geeft eiser aan dat zijn toegangspasje een jaar lang geldig was, en het dus goed mogelijk is dat hij eenzelfde periode werkzaamheden heeft verricht voor Defensie. Het betreft de verantwoordelijkheid van verweerder om hier gedegen onderzoek naar te doen. Gelet op het voorgaande verzoekt eiser de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden en verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen. Tot slot wijst eiser erop dat hij en zijn familie momenteel gevaar lopen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Omvang geding
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift een beroep heeft gedaan op de zogenaamde Tolkenregeling. Deze regeling heeft een andere strekking dan de Kamerbrief en wordt uitgevoerd door de minister van Defensie, niet door verweerder. De rechtbank stelt vast dat het beroep zich richt tegen het besluit van verweerder, de minister van Buitenlandse Zaken. Dit besluit ziet alleen op de Kamerbrief. Gelet op de aanvraag van eiser heeft verweerder dit verzoek mogen opvatten als een beroep op deze Kamerbrief. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, loopt er eveneens een aanvraag op grond van de Tolkenregeling. Op dit verzoek zal door de minister van Defensie worden besloten. Deze aanvraag valt dan ook buiten de omvang van dit geding en de rechtbank zal dan ook alleen toetsen of verweerder de aanvraag van eiser om overbrenging op grond van de Kamerbrief heeft mogen afwijzen.
Kamerbrief
6. Het beleid en toetsingskader voor overbrenging van personen uit Afghanistan is neergelegd in de Kamerbrief. In die brief wordt een speciale voorziening getroffen voor twee afgebakende groepen die, naast personen die ten tijde van de acute evacuatiefase op grond van de motie Belhaj al waren opgeroepen, voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen.
7. Het gaat hierbij onder meer om personen (en hun kerngezin) die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Zij moeten kunnen aantonen dat zij ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor Defensie en/of voor een Nederlandse functionaris EUPOL. In de Kamerbrief staat dat Defensie en Justitie en Veiligheid de criteria zullen toepassen op de nu bij Defensie beschikbare data, waaronder de meldingen van veteranen. Het betreft een afgebakende groep van ongeveer 500 Afghanen (inclusief kerngezinnen) die vóór 11 oktober 2021 een verzoek tot overbrenging hebben ingediend bij het ministerie van Defensie, dan wel bekend zijn door meldingen van bijvoorbeeld veteranen. Deze verzoeken en meldingen zijn door verweerder gebundeld in een database die dient als referentie.
8. Over dit beleid heeft de hoogste bestuursrechter twee richtinggevende uitspraken gedaan. Geoordeeld is dat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, waarbij het kabinet veel beleidsruimte heeft. Het stond het kabinet daarom vrij om vereisten vast te stellen zodat groepen waarop de begunstiging van toepassing is duidelijk konden worden afgebakend. Als verweerder de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen niet faciliteert, schendt hij niet hun fundamentele rechten. Een beroep op het recht op leven en het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in het EVRM en het IVBPR slaagt niet omdat deze verdragen Nederland niet verplichten tot evacuatie van personen. Het beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
9. Bij de toepassing van het beleid moet er wel aandacht zijn voor gevallen waarin iemand bijvoorbeeld net niet onder de omschrijving van een groep in het beleid valt, en dit tot een inconsistente toepassing van het beleid leidt waarvoor geen goede motivering gegeven is.
10. Verweerder heeft in het bestreden besluit bij de vaststelling dat eiser buiten de reikwijdte van de Kamerbrief valt, doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat medewerkers van ASG niet direct voor het ministerie van Defensie werkzaam waren. In het verweerschrift heeft verweerder onderkend dat aan dit gegeven geen doorslaggevende betekenis toekomt. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
11. Dat eiser stelt te vallen onder de motie Belhaj doet, wat hier verder ook van zij, niet ter zake nu deze motie niet meer onverkort in werking is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit verband slaagt evenmin. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 22 februari 2023 al overwogen dat de door het kabinet gedane toezegging om de motie Belhaj naar letter en geest te zullen uitvoeren, geen toezegging bevat die specifiek tot bepaalde personen is gericht. Ook voor eiser geldt dat hierin geen toezegging kan worden gelezen dat hij voor overbrenging in aanmerking komt.
12. Eiser behoort verder niet tot een van de twee groepen waarvoor het kabinet in de Kamerbrief een speciale voorziening heeft getroffen, te weten dat het moet gaan om personen die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Zij moeten kunnen aantonen dat zij ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor Defensie en/of voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
Conclusie
16. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond en zal deze worden vernietigd. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van dit besluit in stand laten.
17. Het beroep wordt mede geacht betrekking te hebben op het bestreden besluit I. Dit beroep zal vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
18. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding bedraagt dan ook € 1.750,-. Eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht zodat deze kosten niet hoeven te worden vergoed. Verder zijn er geen kosten die in aanmerking komen voor vergoeding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt bestreden besluit II en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven.
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
8 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592 en ECLI:NL:RVS:2022:2684.
Op grond van artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II.
Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.
Motie van het lid Belhaj c.s., Kamerstukken II 2020/21, 25 925, nr. 788.
De uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
ECLI:NL:RVS:2023:718.
ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
ECLI:NL:RVS:2023:719.
ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
ECLI:NL:RVS:2023:718.
Zie onder meer Kamerstukken II, 2020/21, 27 925, nr. 808, p.9 en de Kamerbrief voortgang overbrengingen uit Afghanistan van 6 december 2022 van de minister van Buitenlandse Zaken.