Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:5112
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
850 tokens
Dictum
[naam],
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).
Procesverloop
1. Op 5 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen de brief van 8 februari 2024 waarin staat dat hij voor 4 maart 2024 een nieuw terugkeerbesluit krijgt.
2. Op 7 maart 2024 heeft de staatssecretaris het terugkeerbesluit van diezelfde datum toegevoegd aan het digitale dossier. Eiser heeft meegedeeld dat hij zijn beroep handhaaft als gericht tegen het daadwerkelijke terugkeerbesluit van 7 maart 2024.
3. De rechtbank beschouwt het beroep op grond van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb als (mede) gericht tegen het later genomen terugkeerbesluit van 7 maart 2024.
4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2024 op de zitting behandeld in Breda samen met een ander beroep van eiser met het zaaknummer NL23.19832. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.E. Hynd als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
5. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de behandeling op zitting gesloten.
Overwegingen
6. Bij verwijzingsuitspraak van 29 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4394), heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vragen. De derde vraag luidt als volgt:
Dient artikel 1 van het Verlengingsbesluit zo te worden uitgelegd, dat deze verlenging ook betrekking heeft op een groep derdelanders die door een lidstaat via de facultatieve bepaling van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit reeds onder de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zijn gebracht, ook al heeft de lidstaat er op een later moment voor gekozen om aan die groep derdelanders niet langer tijdelijke bescherming meer te bieden?
7. Gelet op de gestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie ziet de rechtbank aanleiding tot heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68, eerste lid, van de Awb.
8. De rechtbank stelt vast dat de beantwoording van de hierboven genoemde derde vraag van belang is voor de beslechting van het geschil in deze zaak. De rechtbank beslist daarom tot aanhouding van de behandeling van het beroep totdat het Hof van Justitie arrest heeft gewezen.
9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing, dus ook die over de proceskosten, aan tot de einduitspraak op het beroep.
Dictum
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
houdt de behandeling van de zaak aan totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest heeft gewezen.
Deze beslissing is genomen door mr. B.F.Th. de Roos, voorzitter, en mr. M.L. Weerkamp en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze beslissing is genomen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze heropeningsbeslissing staat geen zelfstandig hoger beroep open.
Algemene wet bestuursrecht.