Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:5003
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,898 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39822
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.E. Abdelrahman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i laten vallen, waardoor hetgeen over deze grond is aangevoerd geen bespreking behoeft.
1.2.
Eiser voert aan dat zware grond 3b niet aan hem kon worden tegengeworpen, omdat hij zich niet bewust aan het toezicht heeft onttrokken en hij niet wist dat hij zich moest melden.
2.2.
Volgens vaste rechtspraak kan verweerder bij zware grond 3b volstaan met een toelichting dat deze grond zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze grond zich feitelijk voordoet. Eiser is op 5 december 2023 aangetroffen in een trailer van een vrachtwagen die stond op het terrein van Stena Lines, op de grensdoorlaatpost Hoek van Holland te Rotterdam. Eiser heeft zich bij zijn uitreis uit Nederland op 5 december 2023 niet overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode begeven langs de grensdoorlaatpost Hoek van Holland. Eiser heeft zich bij zijn poging tot illegale uitreis schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 108 van de Vw juncto artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode. Hij heeft blijk gegeven zich niet te houden aan de bij of krachtens de Vw gestelde regels. Er kan eiser eveneens worden tegengeworpen dat het hem niet meer is toegestaan in Nederland te verblijven op grond van artikel 12 van de Vw. Hij heeft door het bovengenoemde laten zien dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken.
Dat eiser zich niet bewust aan het toezicht heeft onttrokken en dat hij niet wist dat hij zich moest melden, doet niets af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
De rechtbank is van oordeel dat zware grond 3b aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd. Zware grond 3b kan, in samenhang bezien met de andere niet betwiste zware en lichte gronden, de maatregel dragen. Hieruit volgt dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser voert aan dat verweerder aan hem ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Vanwege zijn medische problemen valt de detentie hem erg zwaar.
3.1.
Verweerder heeft in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om over te gaan tot het opleggen van een lichter middel vanwege het bestaan van een significant risico op onttrekking. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is, nu eiser geen medische informatie heeft overgelegd. Bovendien overweegt de rechtbank dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat hij graag zo snel mogelijk wil terugkeren naar Marokko. Zijn zus is bereid om voor hem het ticket te betalen. Het was niet zijn bedoeling om asiel aan te vragen.
4.1.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij op dit moment niet kan overgaan tot een uitzetting naar Marokko, vanwege de omstandigheid dat eiser asiel heeft aangevraagd en er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de Dublinverordening, omdat hij beschikt over een Marokkaans paspoort voorzien van een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum, geldig tot 19 november 2023, waaruit blijkt dat eiser op 11 november 2023 de Europese Unie is in gereisd via Lille (Frankrijk), zijnde een Schengenbuitenpostgrens.
Aan eiser is uitgelegd dat hij een gesprek dient aan te vragen met de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en dat in dat gesprek (eventueel in overleg met de gemachtigde van eiser) moet worden besproken of een terugkeer naar Marokko mogelijk is en welke rol de zus van eiser hierin kan spelen. Verweerder geeft aan eiser in overweging om zijn asielaanvraag in Nederland te beëindigen teneinde zijn terugkeer te bespoedigen.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij op dit moment niet kan overgaan tot een uitzetting naar Marokko vanwege de lopende asielaanvraag. Hetgeen door eiser is aangevoerd kan naar oordeel van de rechtbank niet leiden tot een gegrond beroep.
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is
ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen.
Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het
oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.