Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:4932
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
894 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.3439
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 januari 2024 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
2. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
4. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser op of omstreeks 9 januari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 29 februari 2024 aangegeven dat hij geen contact heeft met eiser en niet met zekerheid kan zeggen waar deze verblijft. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene wet bestuursrecht
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579