Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:4799
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
3,067 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.40065 V (verzet) en NL23.40065 (beroep).
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposante], opposante
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en uitspraak van de enkelvoudige kamer in de beroepszaak tussen
opposante
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Beket).
Inleiding
1. Opposante heeft op 6 november 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
1.1
Bij besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van opposante niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
1.2
Opposante heeft beroep (NL23.40065) ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
Bij uitspraak van 7 februari 2024 heeft de rechtbank dat beroep - met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - ongegrond verklaard.
1.4
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet (NL23.40065 V) ingesteld.
1.5
De rechtbank heeft het verzet op 21 maart 2024 op zitting behandeld. Opposante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en S. Magid als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Opposante stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Libanese nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de asielaanvraag van opposante niet in behandeling genomen, omdat opposante ten tijde van de aanvraag in het bezit was een geldig Schengenvisum voor Frankrijk. Verweerder heeft de Franse autoriteiten daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening verzocht om de asielaanvraag van opposante over te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 21 december 2023 geaccepteerd.
Wat heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak geoordeeld?
3. Met de eerdere uitspraak heeft de rechtbank het beroep van opposante tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Redengevend voor dat oordeel was dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Niet gebleken is namelijk dat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen jegens Dublinclaimanten niet nakomen of dat anderszins sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of het asielopvangsysteem in Frankrijk. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak ook geoordeeld dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand, zoals bedoeld in het arrestC.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder op goede gronden geconcludeerd heeft dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat voert opposante aan in verzet?
4. Opposante voert in verzet aan de rechtbank het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard heeft. Al op 8 januari 2024 zijn namens opposante medische stukken overgelegd die inzicht geven in haar medische en psychische problematiek. De rechtbank heeft deze informatie blijkens de eerdere uitspraak niet betrokken bij het oordeel over de beroepsgronden die zien op het arrest C.K. tegen Slovenië. Het eindoordeel over het beroep stond hierom niet buiten redelijke twijfel en daarom dient het verzet gegrond verklaard te worden. In verzet is ook aangevoerd dat in de eerdere uitspraak ten onrechte geoordeeld is dat in het geval van opposante geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het toetsingskader bij verzet?
5. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank uitsluitend over de vraag of het beroep van opposante buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Indien opposante met gegronde redenen kan onderbouwen dat de rechtbank deze zaak niet buiten redelijke twijfel als ongegrond had mogen afdoen, kan het verzet gegrond verklaard worden. Aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsronden gericht tegen het bestreden besluit komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
6. De rechtbank stelt vast dat op 8 januari 2024 medische stukken van opposante zijn toegevoegd aan het digitale dossier van de voorlopige voorziening (NL23.40066), die op dat moment gekoppeld was aan het beroep (NL23.40065) van opposante. Deze medische stukken zijn tijdig en vóór de eerdere uitspraak aan de rechtbank overgelegd.
6.1
Uit rechtsoverweging 6 van de eerdere uitspraak blijkt echter dat de rechtbank deze informatie niet bij de beoordeling van de beroepsgronden over het arrest C.K. tegen Slovenië heeft betrokken. De verzetsrechter is daarom van oordeel dat de rechtbank het beroep van opposante niet buiten redelijke twijfel ongegrond kon verklaren en dus niet zonder zitting kon afdoen.
6.2
Het verzet is daarom al gegrond en de andere verzetsgronden behoeven geen nadere bespreking. De eerdere uitspraak van 7 februari 2024 komt te vervallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het beroep?
7. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb zal de rechtbank ook meteen uitspraak doen op het beroep, nu de rechtbank van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep en partijen op de verzetszitting tevens zijn gehoord over de inhoud van de zaak en daarbij zijn gewezen op deze bevoegdheid.
7.1
In aanvulling op de beroepsgronden heeft de gemachtigde van opposante ter zitting nog aangevoerd dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot schending van de norm neergelegd in het arrest C.K. tegen Slovenië, nu uit de overgelegde medische stukken blijkt dat opposante psychische klachten heeft en dat de asielopvangmogelijkheden in Frankrijk slecht en gebrekkig zijn. Gemachtigde heeft in dit kader gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en gesteld dat een BMA-arts moet onderzoeken óf, en zo ja, hoe een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van opposante voorkomen kan worden bij overdracht aan Frankrijk.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7.2
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen jegens asielzoekers zullen nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan opposante om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdacht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvoor kan opposante objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen en/of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest pas sprake is, als de door de vreemdeling aannemelijk gemaakte tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft opposante niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Uit recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de Franse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens asielzoekers, ook Dublinclaimanten nog voldoende nakomen. Het AIDA rapport update 2022 waar opposante op gewezen heeft, schept geen wezenlijk ander beeld over de omstandigheden voor asielzoekers in Frankrijk en is bovendien in voornoemde recente rechtspraak van de Afdeling betrokken. Hoewel uit dit rapport blijkt dat niet voor alle asielzoekers direct opvang beschikbaar is en dat Dublinclaimanten in Frankrijk problemen kunnen ondervinden met het vinden van ondersteuning in de asielprocedure, is het voorgaande nog niet voldoende om te concluderen dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt. De Franse autoriteiten hebben met het expliciete claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van opposante in behandeling genomen zal worden en daarnaast is niet gebleken dat opposante bij voorkomende problemen in de asielprocedure of asielopvang zich hierover niet of niet op zinvolle wijze kan beklagen bij de Franse autoriteiten. Nu opposante bovendien geen eerdere ervaringen heeft met de Franse asielopvang- en procedure kan zij haar vrees voor overdracht naar Frankrijk niet met concrete eigen ervaringen onderbouwen. Het betoog slaagt niet.
Arrest C.K.
Conclusie
8. Het verzet is gegrond. De eerdere uitspraak van 7 februari 2024 vervalt.
9. Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank - met inachtneming van alle informatie die op dit moment bekend is - van oordeel is dat verweerder de asielaanvraag van opposante op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Omdat het verzet na behandeling op zitting gegrond verklaard is, bestaat in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2024 vastgesteld op € 875,- (0,5 punt voor het verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de verzetszitting, met een waarde van € 875,- per punt, wegingsfactor 1). Verweerder dient dit bedrag aan de gemachtigde van opposante te betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen de uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep ingesteld worden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De datum van verzending ziet u bovenaan deze pagina.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 13 december 2023, zaaknummer NL22.24261, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Zie het arrest Jawo tegen Duitsland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, zaaknummer C-163/17, rechtsoverwegingen 91 – 93.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2928, van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318, van 9 maart 2022, ECLI:NLRVS:2022:715, en van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:816.