Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:4495
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,604 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34815
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. M. van Kersbergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
1.1.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 2 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiseres, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op 4 januari 2010. Eiseres heeft een aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) op grond van nareis ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan: referent [referent] (de gestelde vader van eiseres) heeft namelijk de Nederlandse nationaliteit. Verder is volgens verweerder in dit geval geen aanleiding om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Volgens eiseres vloeit uit haar aanvraag voor een mvv op grond van nareis voort dat zij gezinshereniging met haar (gestelde) vader beoogt en dat verweerder daarom had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Het is volgens eiseres ook efficiënter om haar aanvraag door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM in plaats van haar te verlangen een
nieuwe aanvraag in te dienen. Omdat verweerder in het bestreden besluit niet aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst, is er sprake van een motiveringsgebrek. Verder heeft verweerder eiseres en referent ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf op grond van nareis terecht is afgewezen, omdat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en eiseres dus niet aan de voorwaarden van die verblijfsvergunning voldoet. Waar partijen het oneens over zijn is of verweerder ook ambtshalve had moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM.
6. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State1 volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of mvv met het oog op die vergunning.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en de verweerschriften deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om de beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank wijst met name op punt 3. op bladzijde 4 van het bestreden besluit en het verweerschrift van 20 februari 2024. Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek. Eiseres heeft verder niet duidelijk gemaakt waarom de rechtbank deze motivering niet kan volgen. De enkele stelling dat het volgens eiseres efficiënter is om in haar geval ook aan artikel 8 EVRM te toetsen, is hiertoe onvoldoende. Verweerder mag er in dit kader op wijzen dat een bijkomende toets aan artikel 8van het EVRM bewerkelijker is en meer capaciteit en tijd kost, terwijl de procedure daar niet op is ingericht. Verder merkt de rechtbank op dat de handelswijze van verweerder in het bestreden besluit consistent is met zijn beleid in het informatiebericht 2024/7, dat is opgesteld na het bestreden besluit. Niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden waardoor het voor eiseres onmogelijk of onevenredig bezwarend is om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM in te dienen.
8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze zaak niet gehouden was een hoorzitting te houden, nu niet in geschil is dat eiseres niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde mvv en op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren van eiseres niet tot een andersluidend besluit zouden kunnen leiden.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
1. Uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 maart 2024
Documentcode: DSR35343936
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.