Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:4489
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,326 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11109
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 januari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Verweerder heeft op 27 februari 2024 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat geen sprake was van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft bij brief van 20 maart 2024 een reactie op het beroep van eiser ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 20 maart 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de [nationaliteit] nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 februari 2024 van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 februari 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 7 februari 2024.
Procesbelang
4. Verweerder heeft zich in zijn brief van 20 maart 2024 op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft, omdat de bewaring reeds geruime tijd was opgeheven alvorens eiser beroep heeft ingesteld. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van 14 februari 2023 van deze rechtbank en zittingsplaats.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van procesbelang. Eiser heeft 15 dagen na de opheffing het onderhavige beroep ingesteld. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin de maatregel van bewaring zodanig lang geleden is opgeheven dat het procesbelang is komen te vervallen. De uitspraak van 14 februari 2024 betreft geen vergelijkbaar geval, nu in die zaak de bewaring reeds ruim 2,5 maanden was opgeheven alvorens beroep was ingesteld.
Zicht op uitzetting
6. Eiser voert aan dat niet duidelijk is wanneer de informatie over het ontbreken van zicht op uitzetting naar [naam land] bekend was bij verweerder. Uit de informatie van verweerder blijkt dat eiser zonder reisdocument niet in bewaring had mogen worden gesteld. Eiser verzoekt daarom primair om een schadevergoeding toe te kennen vanaf 26 januari 2024 en subsidiair vanaf 10 februari 2024.
7. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 27 februari 2024 informatie vanuit DIA is ontvangen dat de Burundese ambassade eiser alleen wil ontvangen indien hij zonder begeleiding verschijnt en hij vrijwillig een schriftelijk verzoekt indient voor een reisdocument. Hierop is contact opgenomen met SAJZ, waarbij geconcludeerd is dat gedwongen terugkeer naar [naam land] niet mogelijk is. Op diezelfde dag is de bewaring opgeheven. Nu deze informatie blijkens het voortgangsrapport eerst op 27 februari 2024 bij verweerder bekend is geworden, wordt eiser niet gevolgd in zijn betoog dat de maatregel van bewaring daarvoor al onrechtmatig was. Gesteld noch gebleken is dat informatie over het zicht op uitzetting naar [naam land] eerder dan 27 februari 2024 bekend was. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL24.3111.
ECLI:NL:RBDHA:2023:1857