Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:442
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35639
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R. Vreugdenhil-Brock).
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, aangezien hij met een Spaans visum naar Europa is gekomen.
2. Eiser voert allereerst aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat verweerder voor het voornemen gebruik heeft gemaakt van een standaardtekst die voor elk voornemen in een Dublinprocedure wordt gebruikt en waarin niet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling in wordt gegaan. Het voornemen is daarmee volgen eiser in feite een zinloze exercitie. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Hoewel de rechtbank ermee bekend is dat verweerder in dit soort zaken vaak gebruik maakt van standaardoverwegingen en zich ook wel iets kan voorstellen bij de frustratie daarover bij eiser en zijn gemachtigde, neemt dat allemaal niet weg dat eiser door middel van een zienswijze op het voornemen heeft kunnen reageren en aldus zijn persoonlijke situatie heeft kunnen belichten. Van deze gelegenheid heeft eiser ook gebruik heeft gemaakt. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit op de argumenten van eiser zoals verwoord in de zienswijze gereageerd. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat eiser een instantie heeft gemist of dat verweerder anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser voert verder aan dat verweerder ten aanzien van Spanje niet langer uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst hiervoor naar het rapport van AIDA over Spanje (Update 2022).
4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Spanje zich houdt aan zijn internationale verplichtingen op grond van het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierechtelijke asielrecht. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat in zijn geval niet zo is. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. De Afdeling heeft recent, in de uitspraken van 27 juli 2023 en 16 augustus 2023, in zaken die gaan over de (opvang)situatie voor Dublinclaimanten in Spanje, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De Afdeling heeft in die uitspraken geoordeeld dat het rapport van AIDA waarop eiser zich beroept geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie voor Dublinclaimanten in Spanje dan die volgt uit de landeninformatie waarover eerder is geoordeeld. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen. Weliswaar blijkt uit het door eiser aangehaalde rapport dat de situatie in Spanje voor verbetering vatbaar is. Er is echter geen reden om op voorhand aan te nemen dat eiser na overdracht aan Spanje terecht zal komen in een situatie die de hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Jawo, bereikt. Mocht eiser niettemin problemen ondervinden bij het indien van een asielverzoek en/of het verkrijgen van opvang, dan dient hij daarover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Eisers stelling dat hij in Spanje gevaar loopt omdat hij getraceerd kan worden door degenen voor wie hij zijn land is ontvlucht, is niet onderbouwd. Ook hier geldt bovendien dat eiser zich bij eventuele dreigende problemen voor bescherming kan wenden tot de Spaanse autoriteiten. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
ECLI:NL:RVS:2023:2880.
ECLI:NL:RVS:2023:3116.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.