Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:4402
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,138 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/905
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een extra uitweg op zijn perceel [adres 1] in [plaats 1] .
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 maart 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 4 januari 2022 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het college, overeenkomstig het advies van de regionale commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie), bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij naar voren heeft gebracht.
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Verkeersveiligheid
4. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de aanleg van een extra uitweg, omdat hij op zijn perceel een extra parkeerplaats wil aanleggen met een laadpaal voor een elektrische auto.
4.1.
De Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021 (APV) bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van (onder meer) de verkeersveiligheid. Verder volgt uit de APV dat een uitwegvergunning kan worden geweigerd als het gaat om een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten. Uit de samenstelling van deze twee bepalingen volgt dat je voor een uitwegvergunning als deze algemene weigeringsgronden hebt en een specifieke weigeringsgrond voor de aanvraag van een uitweg. Het college heeft beleidsvrijheid bij het eventueel verlenen van een omgevingsvergunning voor een tweede uitrit. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing terughoudend moet toetsen en dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om in dit geval een omgevingsvergunning te weigeren.
4.2.
Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De APV kent namelijk geen algemeen verbod op de aanleg van meer dan één uitweg op een perceel. Eiser vindt daarom dat het college per geval moet onderzoeken in hoeverre met de aanleg van een tweede uitweg de verkeersveiligheid in het geding is. Met een adviesrapport van Circum verkeersadvies heeft eiser onderbouwd dat de verkeersveiligheid ter plekke niet in het geding is. Het college heeft geen onderzoek verricht naar de verkeersveiligheid ter plaatse. Ter zitting heeft eiser zijn betoog, dat het college zou hebben nagelaten een inhoudelijke reactie te geven op het adviesrapport van Circum verkeersadvies, ingetrokken.
4.3.
Het college heeft toegelicht dat zijn uitgangspunt is dat er maximaal één uitrit per woning aanwezig mag zijn, vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid. Het college ziet iedere uitweg als een conflictpunt, dat wil zeggen een punt waar verkeer elkaar kruist. Het college wil het aantal conflictpunten beperkt houden, zodat de uitwegen in het straatbeeld als zodanig goed herkenbaar zijn voor het overige verkeer. Dit geeft een duidelijk en overzichtelijk wegbeeld en dat komt de verkeersveiligheid ten goede.
Na advies van zijn interne verkeerskundige heeft het college in dit geval de uitwegvergunning geweigerd, omdat de aangevraagde extra uitweg zou zorgen voor een extra conflictpunt.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag voor de uitweg in redelijkheid heeft mogen weigeren in het kader van de verkeersveiligheid, op basis van het advies van zijn verkeersdeskundige. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.5.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een bestuursorgaan op een advies van een deskundige mag afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, de zogenoemde vergewisplicht. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Awb.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan aan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd. Het gaat erom dat het bestuursorgaan in voldoende mate inzicht verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt.
4.6.
De rechtbank ziet in dat wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het advies van de verkeersdeskundige van het college niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin niet begrijpelijk is en/of de getrokken conclusies daar niet op aansluiten. Dat betekent dat het college op het advies van zijn verkeerskundige mocht afgaan.
4.7.
Eiser heeft een tegenadvies overgelegd van Circum verkeersadvies. Circum verkeersadvies concludeert dat de verkeersveiligheid niet in gedrang komt omdat er in de straat een rustig wegbeeld is, de uitweg maar beperkt gebruikt wordt en er geen stoep aanwezig is waar de uitweg zou worden geplaatst.
4.8.
Het college heeft het tegenadvies van Circum verkeersadvies laten beoordelen door zijn eigen verkeersdeskundige. Zijn verkeersdeskundige ziet in het tegenadvies geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de APV-weigeringsgronden voor de aanleg van een tweede uitweg.
4.9.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het tegenadvies van Circum verkeersadvies niet afdoet aan de vaststelling dat met de aanleg van een tweede uitweg een tweede conflictpunt ontstaat. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat omwille van de verkeersveiligheid het aantal conflictpunten wordt beperkt en dat daarom een tweede uitweg in beginsel niet wordt toegestaan.
4.10.
De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
5. Eiser is van mening dat het college zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen. Met een extra uitweg kan eiser een extra parkeerplek realiseren op zijn terrein. Op de extra parkeerplek kan eiser een laadpaal plaatsen. Het college zou de aanleg van zo een duurzame voorziening juist moeten stimuleren.
Er is volgens eiser een hoge parkeerdruk in de wijk en met een extra parkeerplek op eigen terrein neemt deze parkeerdruk af. Ook staat de auto daar veiliger dan op een openbare parkeerplek. Daarnaast wijst eiser erop dat in de wijk maar 18 openbare parkeerplekken zijn. Dat is niet ruim bemeten gelet op het aantal woningen in deze wijk en de bezoekersaantallen in praktijk. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat er nabij zijn woning geen openbare parkeerplek is.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het geval van eiser geen bijzondere omstandigheid is, waarom toch een omgevingsvergunning voor een extra uitweg zou moeten worden verleend. Daarnaast wijst het college erop dat op grond van het bestemmingsplan een derde parkeerplek kan worden gerealiseerd, ook zonder een extra uitweg. Volgens het college zijn er voldoende parkeerplekken in de openbare ruimte. Er zijn namelijk 18 openbare parkeerplekken, terwijl er volgens de Nota parkeernormen minimaal tien openbare parkeerplekken nodig zijn.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser op grond van het geldende bestemmingsplan een derde parkeerplek op eigen terrein mogelijk kan maken, ook zonder een omgevingsvergunning voor een extra uitweg.
5.3.
De rechtbank overweegt dat het college op basis van het advies van zijn verkeerskundige heeft vastgesteld dat in de wijk conform de Nota parkeernormen is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Eiser heeft een tegenadvies van Circum verkeersadvies overgelegd, waarin is vermeld dat er een tekort is aan openbare parkeerplaatsen. Ter zitting heeft eiser evenwel erkend dat aan de Nota parkeernormen is voldaan.
5.4.
Zoals rechtbank in punt 4.6 overwoog, mocht het college afgaan op het advies van zijn verkeerskundige.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. ten Brummelhuis, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021 (APV)
Artikel 1:8
Weigeringsgronden
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang
van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu;
e. de verkeersveiligheid.
Artikel 2:12
Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning tevens worden geweigerd:
indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland of de provinciale wegenverordening Zuid-Holland.
Artikel 1:8, onder e, van de APV.
Artikel 2:12, tweede lid, onder c, van de APV.
In strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In strijd met artikel 7:12 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:278.