Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:4363
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,186 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-004526-23
Datum uitspraak: 28 maart 2024
Tegenspraak
Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de zaak(kies tussen de alternatieven) tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
[geboortedatum] 2007 [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 7 maart 2024 en 28 maart 2024 (sluiting onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. L. Post en de advocaat van de verdachte is
mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 27 december 2022 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op het schoolplein van [naam] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door
- die [slachtoffer 1] onder valse voorwendselen naar [naam] schoolplein te lokken door hem te zeggen dat hij, verdachte, aan die [slachtoffer 1] zijn vape daar zal teruggeven,
- in een groepsapp onder andere de volgende berichten te sturen: "ik kan vandaag die boy achterin nog hoeken" "Luister, we gaan hem pakken, k regel vndg dat tie komt, wies mee" "je ik wil wel gaan, hij komt solo sowieso" "Neef jij komt sowieso" "als ik hem zie geef ik hem gelijk" "Moet ik m Irakees late komen of [naam] " "kzegwel [naam] "
- die [slachtoffer 1] één of meermalen onderuit te schoppen,
- die [slachtoffer 1] één of meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te trappen,
- die [slachtoffer 1] één of meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan,
- het geweld tegen die [slachtoffer 1] te filmen;
2.
hij op of omstreeks 29 december 2022 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door een steen door de ruit van de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te gooien;
subsidiair:
hij op of omstreeks 29 december 2022 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij op of omstreeks 27 december 2022 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat dooooood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3De bewijsbeslissing
3.1
Inleiding
In de periode van 22 december 2022 tot en met 27 december 2022 hebben er in Den Haag verschillende geweldsincidenten tussen jongeren plaatsgevonden. Het is begonnen op 22 december 2022 toen er een vechtpartij in de tram is ontstaan waarbij [naam] in zijn arm is gestoken. Als wraakactie is in de middag van 27 december 2022 [slachtoffer 1] naar het schoolplein van [naam] gelokt. Daar is hij vervolgens door een groep jongens in elkaar geslagen. Hierop volgend heeft er in de avond van 27 december 2022 een confrontatie plaatsgevonden bij supermarkt [naam] waarbij [naam] is neergestoken.
In de strafzaak van de verdachte gaat het onder andere om de vechtpartij op het schoolplein van [naam] in Den Haag.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft net als de officier van justitie partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde en vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.4
Vrijspraak feit 2 primair - bedreiging
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
3.5
Bewijsmiddelen feiten 2 subsidiair en 3 – vernieling en bedreiging
De rechtbank zal voor de feiten 2 subsidiair en 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal [naam] met het nummer PL1500- [nummer] , van Districtsrecherche Den Haag Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1302).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 maart 2024;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 29 december 2022 (p. 459-463);
3. Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] , opgemaakt op 10 april 2023, (p. 1090-1093);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 januari 2023 (p. 442-444).
3.6
Bewijsmiddelen feit 1 – openlijke geweldpleging
De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.7
Bewijsoverwegingen feit 1 - openlijke geweldpleging
Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging is onder andere vereist dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De verdachte heeft bekend dat hij een aandeel heeft gehad in het openlijke geweld gepleegd tegen [aangever] . Hij heeft het immers mogelijk gemaakt dat zijn [medeverdachte] konden schoppen en slaan op het schoolplein van [naam] door hem naar dat schoolplein te lokken. Daarbij heeft hij dit alles ook nog gefilmd. Door de officier van justitie en de raadsvrouw is aangevoerd dat niet alle geweldshandelingen aan de verdachte zijn toe te rekenen. De rechtbank komt tot een ander oordeel. Bij openlijke geweldpleging in vereniging gaat het in de kern om het met anderen plegen van geweld.
Beoordeling
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 27 december 2022 als vijftienjarige schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Hij wilde samen met zijn vrienden wraak nemen voor een steekpartij in de tram een paar dagen eerder waarbij een vriend in zijn arm was gestoken. De verdachte heeft [slachtoffer 1] via Snapchat naar het schoolplein van [naam] gelokt. Toen het slachtoffer op het schoolplein aankwam, stond de verdachte hem met een vriend op te wachten. Kort daarna kwamen er andere jongens op het slachtoffer afgerend waarna hij meerdere malen is geschopt en geslagen tegen zijn hoofd en lichaam. Na deze vechtpartij heeft de verdachte [slachtoffer 1] via Snapchat bedreigd. Een paar dagen later heeft de verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit van de woning van [slachtoffer 1] .
De verdachte heeft dit allemaal gedaan uit wraakgevoelens. Eerst uit wraak voor het neersteken van zijn vriend [naam] in de tram, later uit wraak voor het steekincident in de supermarkt [naam] . De verdachte heeft door op deze manier te handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Dat [slachtoffer 1] geen aandeel heeft gehad in het steekincident in de tram, maakt dit nog erger. Tenslotte geldt dat als de verdachte en zijn medeverdachten de wraakactie op [slachtoffer 1] niet hadden ondernomen, de bijna noodlottige confrontatie in supermarkt [naam] vermoedelijk ook niet had plaatsgevonden.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gepleegde geweld kunnen ondervinden. Bovendien heeft het geweldsincident zich in het openbaar, namelijk buiten op een schoolplein en op klaarlichte dag, afgespeeld. Daarnaast heeft hij ook de familie van [slachtoffer 1] schrik aangejaagd door een steen door een ruit van hun woning te gooien. Een woning is juist een plek waar mensen zich veilig moeten voelen. Deze gebeurtenissen hebben grote gevoelens van onveiligheid voor de wijkbewoners en breder dan de wijk met zich meegebracht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 januari 2024.
Nu de verdachte niet eerder is veroordeeld, heeft het strafblad geen invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 19 januari 2024, de brief van 6 maart 2024 en de mondelinge toelichting die daarop door de [dekundige] ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte het goed doet op school en een goede dagbesteding heeft. De verdachte heeft zich het afgelopen jaar gehouden aan de schorsende voorwaarden, met uitzondering van het wegblijven en zonder toestemming meenemen van de auto van vader. Hij toont inzicht in zijn eigen handelen met betrekking tot de tenlastelegging. Hetgeen ook heeft geresulteerd in een geslaagde mediation met [slachtoffer 1] . Hij geeft zelf aan dat het niet goed gaat met hem. Hij ervaart door wat er allemaal gebeurd is veel stress, zijn hoofd zit vol en hij kan uit het niets flauwvallen. De verdachte is van mening dat een behandeling te veel wordt. Hij zegt tijd nodig te hebben om alles wat er is gebeurd te verwerken. Gezien de toenemende zorgen ziet de Raad in tegenstelling tot hun advies van januari 2024 nu wel noodzaak tot een jeugdreclasseringsmaatregel. De zorgen om de mentale gezondheid, draagkracht en schoolgang van de verdachte nemen toe.
Hiermee ziet de Raad een verhoogde kans op recidive. Door middel van inzet van jeugdreclassering kan de komende tijd met de verdachte toegewerkt worden naar een passende vorm van behandeling. Hoewel de verdachte daar niet voor open staat, ziet de Raad wel de noodzaak. Het is belangrijk dat met de verdachte gekeken wordt naar waar zijn behoeften liggen en welke vorm van behandeling bij hem past. De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 22 maart 2023, opgemaakt door [dekundige] , GZ-psycholoog in opleiding, onder supervisie van [dekundige] , GZ-psycholoog. Hieruit komt – kort samengevat – naar voren dat er geen psychische stoornis of verstandelijke beperking bij de verdachte is vastgesteld. De verdachte is in staat geweest om zowel voorafgaand als tijdens en na het tenlastegelegde het wederrechtelijke van zijn daad in te zien. De psycholoog adviseert dan ook vanwege de combinatie van de afwezigheid van een stoornis of verstandelijke beperking met het inzien van de wederrechtelijkheid van zijn daad de verdachte het tenlastegelegde (mits bewezen verklaard) in volledige mate toe te rekenen.
De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt laag ingeschat. De verdachte beschikt over een flink aantal beschermende factoren in zijn omgeving en werkt vrijwillig mee aan de aangeboden hulpverlening. Hij beschikt over sociaal competent gedrag, copingvaardigheden en heeft zelfcontrole. Zorgpunten betreffen de omgang met eventuele deviante peers. De verdachte wekt de indruk dat hij vanuit zijn behoefte aan sensatie sneller tot grensoverschrijdend gedrag kan komen.
Ondanks dat er niet geconcludeerd kan worden tot een psychische stoornis of verstandelijke beperking en de kans op recidive laag wordt ingeschat wordt vanuit zorg geadviseerd het reeds ingezette coachingstraject voort te zetten. De verdachte behoeft ondersteuning en begeleiding bij de uitdagingen die op zijn pad komen in de fase van de adolescentie. De verdachte heeft zelfinzicht en er wordt veranderingsbereidheid bij hem gezien. Zijn netwerk is betrokken en gemotiveerd hem de begeleiding en ondersteuning te bieden die nodig zijn om tot een evenwichtige volwassenen uit te groeien.
Ter zitting heeft de [dekundige] , werkzaam bij Jeugdbescherming west, naar voren gebracht dat zij het de verdachte gunt om hulp aan te nemen, zodat hij niet alles alleen hoeft te doen. Hij wil niemand belasten.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf ook rekening met het feit dat de verdachte een aanstichtende rol had door het lokken van [slachtoffer 1] naar het schoolplein en het verzamelen van zijn vrienden.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank het opleggen van jeugddetentie passend. De rechtbank ziet aanleiding om een gedeelte van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen. De verdachte is niet eerder veroordeeld en heeft geruime tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Een voorwaardelijke straf kan dienen als waarschuwing voor de verdachte. Ook kan de verdachte zich met hulp van toezicht, begeleiding en behandeling zo gunstig mogelijk verder ontwikkelen.
Alles overwegende zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 72 dagen, met aftrek van de voorlopige hechtenis, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden en het toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering zijn daarbij passend en geboden.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.8 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 2 subsidiair:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een jongerencoach en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
2. gedurende de proeftijd onderwijs volgt;
3. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke instelling, indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
werkstraf
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 40 (veertig) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. C.M. Koole, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2024.