Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:4326
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,390 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5447
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 maart 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig O. Ilmi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in
behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 20 augustus 2021 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 31 oktober 2023 heeft Duitsland het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vaststaat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij heeft eerder driemaal een afwijzing gehad van zijn asielaanvraag aldaar, zodat een overdracht naar Duitsland een schending oplevert van het verbod op refoulement. Verder is in Duitsland sprake van opvangproblemen en een gebrek aan medische zorg voor asielzoekers. Gelet op het voorgaande had verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich moeten trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel
vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om
aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser heeft dit niet aannemelijk
gemaakt. De stellingen van eiser zijn niet onderbouwd en bovendien onvoldoende voor
het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft Duitsland met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Het is verder niet aan de rechtbank om in het kader van de Dublinoverdracht het risico op refoulement in Duitsland verder te onderzoeken nu niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland. Verder heeft eiser verklaard opvang te hebben gehad in Duitsland. Mocht eiser na overdracht aan Duitsland van mening zijn dat de opvang en medische zorg in Duitsland onvoldoende zijn of dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen. Het ter zitting ingenomen standpunt van eiser dat verweerder tijdens het Dublingehoor een aanvang dient maken met het in beeld brengen van eisers asielmotieven wordt niet gevolgd. Eisers asielmotieven zijn in deze procedure niet aan de orde, omdat het in deze procedure enkel gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag.
5. Tot slot heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen
aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de
Dublinverordening aan zich te trekken.
6. Verweerder heeft gelet op het voorgaande eisers asielaanvraag terecht niet
in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening.
HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
Rapport aanmeldgehoor van 24 oktober 2023, p. 6 van 8.