Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:4223
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,819 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10529
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Rikken)
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een (eventueel) bodemgeding.
2. In het besluit van 31 augustus 2023 heeft verweerder bepaald dat verzoekers recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke bescherming eindigt op 4 september 2023. Op 24 januari 2024 heeft verweerder dat besluit ingetrokken onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32). In die uitspraak is - kort gezegd - geoordeeld dat de tijdelijke bescherming in Nederland van een vreemdeling zoals verzoeker per 4 maart 2024 van rechtswege eindigt.
3. Bij besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit aan verzoeker opgelegd, omdat hij met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
4. Verzoeker heeft hiertegen beroep (NL24.10527) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening of ordemaatregel (NL24.10529) te treffen, die inhoudt dat hij de uitspraak van het beroep in Nederland mag afwachten en de bij de tijdelijke bescherming behorende voorzieningen behoudt.
5. De voorzieningenrechter constateert dat er meerdere soortgelijke verzoeken om
voorlopige voorzieningen en bijbehorende beroepen zijn ingediend door vreemdelingen zoals verzoeker. De reactie van verweerder geldt voor al deze zaken.
6. Vanwege onverwijlde spoed doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder een zitting te houden (artikel 8:83, vierde lid, van de Awb).
Beoordeling
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer in Nederland mag verblijven. Daarbij heeft verweerder aan verzoeker een termijn van 28 dagen gegeven om uit Nederland te vertrekken. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat het instellen van beroep er niet toe leidt dat de werking van het bestreden besluit wordt opgeschort en dat verzoeker een voorlopige voorziening kan vragen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang, nu verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
Ontvankelijkheid beroep
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gegeven beroepstermijn van vier weken in deze zaak eindigde op 6 maart 2024. De gemachtigde van verzoeker heeft op 8 maart 2024 beroep ingesteld en op 13 maart 2024 de gronden van beroep aangevuld. Bij afzonderlijk schrijven van 13 maart 2024 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat zij niet eerder bekend was met het bestreden besluit, omdat het besluit van 7 februari 2024 ten onrechte aan een andere advocaat is toegestuurd.
10. Op basis van het procesdossier concludeert de voorzieningenrechter dat mr. W.A. Berghuis in ieder geval sinds 1 september 2023 als bepaaldelijk gemachtigde van verzoeker bekend staat en dat verweerder het bestreden besluit van 7 februari 2024 (per abuis) aan een andere advocaat heeft toegezonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet hierop niet op voorhand al geconcludeerd kan worden dat het beroep connex aan deze voorlopige voorziening niet verschoonbaar te laat is ingediend en daarmee kennelijk zijn ontvankelijkheid kan worden ontzegd. Nu niet op voorhand al sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep, ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een gebrek aan connexiteit. Het verzoek is ontvankelijk en zal in het navolgende inhoudelijk worden beoordeeld.
Belangenafweging
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsvragen die in deze procedure door verzoeker aan de orde zijn gesteld zich niet goed lenen voor beantwoording in deze spoedprocedure. Deze rechtbank heeft namelijk (net als andere zittingsplaatsen) een vergelijkbare zaak verwezen naar een meervoudige kamer voor inhoudelijke behandeling. Binnen afzienbare tijd zal de rechtbank zich uitlaten over die rechtsvragen. De voorzieningenrechter zal daarom geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven, maar zal het verzoek van verzoeker beoordelen aan de hand van een belangenafweging. De vraag is in dat geval of het belang van verzoeker bij schorsing van (de rechtsgevolgen van) het bestreden besluit zwaarder weegt dan het belang van verweerder om een aanvang te maken met de effectuering van de beëindiging van de tijdelijke bescherming van vreemdelingen als verzoeker en hen te verplichten binnen vier weken te vertrekken.
12. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit te schorsen totdat is beslist op het beroep. Verzoekers belang om de uitspraak op zijn beroep in Nederland te mogen afwachten, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om de terugkeer te bewerkstelligen van vreemdelingen als verzoeker. Ook in dit kader is van belang dat de meervoudige kamer op 19 maart 2024 een vergelijkbare zaak inhoudelijk zal behandelen en zich dus binnenkort zal uitlaten over de rechtsvragen relevant voor het beroep van verzoeker. Verder is niet gebleken van een dusdanig belang aan de zijde van verweerder dat opweegt tegen het belang van verzoeker om de uitspraak van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen grond om een verstrekkender voorziening te treffen dan met de uitspraak is gegeven.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit van 7 februari 2024 en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet, totdat er uitspraak is gedaan op het beroep.
14. Omdat het verzoek is toegewezen, heeft verzoeker recht op vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding aan de gemachtigde van verzoeker betalen. De vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt geschorst en dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.