Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:4135
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6316
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiseres
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 25 juni 2023 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
De rechtbank heeft het beroep op 15 maart 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig A. Yahye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft niet binnen de termijn van twee maanden gereageerd. Daarom staat de verantwoordelijkheid van Frankrijk sinds 26 oktober 2023 vast op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.
3. Eiseres voert tegen het bestreden besluit aan dat de Dublinverordening niet op haar van toepassing is, omdat zij in Frankrijk geen zelfstandige verblijfsstatus heeft, maar een verblijfsrecht op grond van gezinshereniging. Daarnaast is het verzoek om overname te laat ingediend en is eiseres niet binnen de wettelijke termijn overgedragen. Tot slot kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, omdat zij vreest te moeten terugkeren naar de echtgenoot aan wie ze is uitgehuwelijkt en de Franse autoriteiten onvoldoende in staat zullen zijn eiseres te helpen. De Franse autoriteiten hebben bovendien niet gereageerd op het verzoek om overname. Er is dus geen garantie dat Frankrijk de asielaanvraag van eiseres in behandeling zal nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Gebleken is dat eiseres een geldig verblijfsrecht heeft in Frankrijk. Daardoor is de Dublinverordening op eiseres van toepassing, gelet op artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening en is Frankrijk verantwoordelijk.
5. Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening moet het overnameverzoek zo spoedig mogelijk indienen en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van de asielaanvraag. Eiseres heeft op 25 juni 2023 een asielaanvraag ingediend, waarbij zij een verblijfsdocument heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in Frankrijk een verblijfsrecht heeft. Verweerder heeft het overnameverzoek ingediend op 25 augustus 2023. De termijn die is neergelegd in artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening is dus niet overschreden.
6. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is de termijn om een asielzoeker over te dragen zes maanden na de (fictieve) aanvaarding van het overnameverzoek. De verantwoordelijkheid van Frankrijk staat sinds 26 oktober 2023 vast. Dat betekent dat deze termijn in het geval van eiseres pas verstrijkt op 26 april 2024.
7. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan. Eiseres heeft niet onderbouwd welke problemen zij zou hebben met haar echtgenoot. Ook is niet onderbouwd dat de Franse autoriteiten haar niet (voldoende) zouden kunnen of willen helpen, wanneer er problemen ontstaan. Bovendien hebben de Franse autoriteiten met het (fictieve) claimakkoord gegarandeerd dat ze haar asielaanvraag in behandeling zullen nemen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingewet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Uitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4441.