Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:3999
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,987 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.3862 en NL24.3863
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 3 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 29 januari 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Aziz als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. Eiser heeft op 3 november 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Uit informatie van de Cypriotische autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 20 oktober 2016 internationale bescherming geniet in Cyprus. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen internationale bescherming geniet in Cyprus. De aan eiser verstrekte verblijfsvergunning asiel was namelijk geldig tot 21 oktober 2023 en eiser heeft geen verlenging aangevraagd terwijl hij al langer dan een jaar niet meer in Cyprus verblijft. Daarnaast gaat verweerder er ten onrechte vanuit dat hij voor Cyprus uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De levensomstandigheden voor statushouders in Cyprus zijn zodanig slecht dat eiser in een situatie van verregaande materiële deprivatie dreigt te raken na een overdracht. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar het AIDA landenrapport van april 2023 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 10 oktober 2023. Daarnaast heeft blijkt uit het AIDA landenrapport dat asielaanvragen van Syrische asielzoekers niet meer worden behandeld. Ook uit een bericht van Human Rights Watch van 29 september 2023 blijkt dat de Cypriotische autoriteiten niet erg welwillend zijn om Syrische asielzoekers te helpen en hen zelfs proberen terug te sturen.
3.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat er inmiddels contact is geweest met de advocaat in Cyprus die heeft toegelicht dat eiser nog steeds bescherming geniet in Cyprus. Deze beroepsgrond laat de gemachtigde dan ook vallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Cyprus mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat Cyprus zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Cyprus dit niet doet en dat hij dus een reëel risico loopt op schending van fundamentele rechten bij terugkeer naar Cyprus. Bij de beantwoording van de vraag of eiser hierin is geslaagd, is het arrest Ibrahim van belang. In dit arrest benadrukt het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM – onverminderd hoog blijft. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij na een overdracht als gevolg van de onverschilligheid van de autoriteiten in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen en overweegt hiertoe als volgt. Dat uit het AIDA landenrapport volgt dat Cyprus statushouders geen hulp biedt bij het vinden van een woning en werk is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat Cyprus zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Bovendien is het aan eiser als statushouder om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Cyprus te effectueren. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit de verklaringen van eiser niet is gebleken dat hij voldoende inspanning heeft geleverd om zijn situatie te verbeteren. Van eiser mag worden verwacht dat hij bij voorkomende problemen of mogelijke schendingen van zijn rechten hulp inroept bij de (hogere) Cypriotische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat heeft geprobeerd, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat de Cypriotische autoriteiten hem niet willen of kunnen beschermen. De verwijzing naar voormelde uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 10 oktober 2023 maakt dit oordeel niet anders nu hieruit niet volgt dat eiser niet zou kunnen klagen bij de autoriteiten of dat dit bij voorbaat zinloos is, omdat deze uitspraak ziet op de situatie van Dublinclaimanten en niet op die van statushouders. Om diezelfde reden maakt de informatie waaruit zou blijken dat asielverzoeken van Syrische asielzoekers niet meer behandeld worden en zij niet welkom zijn in Cyprus de voorgaande conclusie ook niet anders. Eiser heeft reeds een asielstatus in Cyprus.
Conclusie
5. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
Het beroep is ongegrond.
6. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).
ECLI:NL:RBDHA:2023:15483.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.