Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:387
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,313 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.125
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
geboren op [geboortedatum],
van Ghanese nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
Verweerder heeft op 25 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2024 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen in het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij het voortduren van deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 13 december 2023 in de zaak NL23.37577. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 december 2023 rechtmatig is.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
3.1.
Uit de voortgangsrapportage en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder in de onderhavige beoordelingsperiode op 4 januari en 12 januari vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Daarnaast heeft verweerder tweemaal schriftelijk bij de Ghanese autoriteiten gerappelleerd op 12 december 2023 en 2 januari 2024 aangaande de verzochte laissez-passer (lp). Daarnaast is gebleken dat eiser niet is verschenen bij de geplande presentatie in persoon op 13 december 2023 bij de Ghanese autoriteiten.
3.2
De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen niet ontbreekt en verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4500. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen. Uit de vertrekgesprekken blijkt dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer. Deze medewerking mag wel van hem worden verwacht (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210)). Onder deze omstandigheden bestaat er in het geval van eiser nog steeds zicht op uitzetting naar Ghana.
4. De rechtbank overweegt verder dat eiser zijn gestelde medische omstandigheden, waaronder het hebben van stress en huidproblemen, niet met medische stukken heeft onderbouwd. Derhalve is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is of dat hij vanwege zijn medische gesteldheid niet zou kunnen meewerken aan zijn terugkeer. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er contact is gelegd met de medische dienst in het detentiecentrum en dat eiser een sprekersbriefje kan invullen om in gesprek te gaan met een psycholoog. Eiser heeft van deze mogelijkheid nog geen gebruik gemaakt.
5. Eisers asielgerelateerde motieven staan in deze onderhavige procedure niet ter beoordeling. Eiser kan zijn betoog, dat hij vanwege vrees op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM niet kan terugkeren naar Ghana, in een asielprocedure naar voren brengen. De omstandigheid dat eiser alleen een asielaanvraag wil indien in Ter Apel en niet vanuit vreemdelingenbewaring, komt voor rekening en risico van eiser en maakt niet dat de inbewaringstelling van eiser onrechtmatig is.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2024 door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.