Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:372
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,907 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.28469, NL23.28467, NL23.28465 en NL23.28443
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiseres], V-nummer: [v-nummer eiseres]
en haar kinderen
[kind 1]
, V-nummer [v-nummer kind 1]
[kind 2]
, V-nummer [v-nummer kind 2]
[kind 3]
, V-nummer [v-nummer kind 3]
eisers
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: R.C. de Goede).
Inleiding
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de voor hen ingediende aanvragen voor verlening van een mvv in het kader van nareis.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eisers hebben hun aanvragen volgens verweerder ingediend op 4 november 2022. Op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet verweerder binnen 90 dagen beslissen, maar kan hij deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 2 mei 2023 een besluit moeten nemen. De termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen is daarom verstreken zonder dat er een besluit is genomen. Eisers hebben verweerder op 3 juli 2023 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Op 7 september 2023 hebben eisers beroep ingesteld. Er zijn tussen de ingebrekestelling en het beroep twee weken verstreken, zodat de beroepen tijdig zijn ingediend. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
3. Eisers hebben de rechtbank verzocht om een door verweerder verschuldigde dwangsom vast te stellen en om verweerder op te dragen een besluit te nemen binnen veertien dagen. Tot slot verzoeken eisers de rechtbank verweerder te veroordelen in de proceskosten.
4. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn op van twee weken waarbinnen hij een besluit bekend moet maken. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.
5. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3590. Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen.
6. Om te bepalen welke termijn verweerder moet worden gegund om alsnog tot een besluit te komen, wordt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, als uitgangspunt genomen. In deze uitspraak is geoordeeld dat de te bepalen nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort mag zijn.
7. In het geval van eisers heeft verweerder de ontvangst van de aanvragen bevestigd, maar verder nog niet inhoudelijk naar de aanvragen gekeken. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat er een eerste screening is gedaan en dat verweerder voornemens is om herstel verzuim te bieden om de aanvragen compleet te maken. Verweerder heeft daarbij vermeld dat een beslistermijn van acht weken passend is om een besluit te nemen op de aanvragen van eisers. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend moet maken.
8. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.
Daarbij geldt dat de rechtbank de beroepen van eisers beschouwt als samenhangende zaken. Dat betekent verweerder steeds één rechterlijke dwangsom verbeurt bij overschrijding van de gestelde termijn voor eisers gezamenlijk.
9. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de door verweerder verbeurde bestuurlijke dwangsommen vast te stellen. De rechtbank stelt vast dat de volledige termijn van artikel 4:17 van de Awb is verstreken, zodat verweerder aan eisers (eenmaal) € 1.442 aan bestuurlijke dwangsommen heeft verbeurd.
10. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 656,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,75 in samenhangende zaken). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ook moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen van eisers bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,- (vijfenzeventighonderd euro);
- veroordeelt verweerder tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen ter hoogte van € 1.442,- (veertienhonderdtweeënveertig euro);
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 736,00 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 656,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
machtiging tot voorlopig verblijf
Algemene wet bestuursrecht