Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:3597
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,352 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1330
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] en [verzoekster], wettig vertegenwoordigers van [minderjarige], uit [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder
(gemachtigde: B.G. Diepeveen).
Inleiding
Bij het bestreden besluit van 28 september 2023 heeft verweerder een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van een kinderwandelwagen (rolstoelbuggy) voor de minderjarige [minderjarige] ([minderjarige]) toegekend. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 3 oktober 2023 hebben verzoekers aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op
17 oktober 2023 op zitting behandeld. Bij uitspraak van 31 oktober 2023 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
Op 19 februari 2024 hebben verzoekers opnieuw aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen,
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster [verzoekster] en de gemachtigde van verzoekers (de oma van [minderjarige]). De gemachtigde van verweerder heeft zich voor de zitting afgemeld.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. Verzoekers voeren aan dat verweerder tijdens de zitting van 17 oktober 2023 heeft aangegeven dat 6 weken nodig zijn om op het bezwaar te beslissen. Inmiddels zijn 16 weken verstreken en daar komen nog minimaal 7 tot 8 weken bij voordat het bezwaar door de bezwarencommissie wordt behandeld. Volgens verzoekers stagneert verweerder de zaak moedwillig, waardoor [minderjarige], die met specifieke medische problematiek kampt, niet de voorziening krijgt die hij nodig heeft. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers aangegeven dat een aangepaste bus nodig is om [minderjarige] met de rolstoelbuggy te kunnen vervoeren naar het ziekenhuis en naar school, dan wel naar de opvang.
2. De voorzieningenrechter stelt onder verwijzing naar de uitspraak van 31 oktober 2023 voorop dat ook thans nog niet kan worden vastgesteld dat het besluit van verweerder in de bezwaarprocedure geen stand zal kunnen houden. Ook kan de voorzieningenrechter niet alvast op de door verweerder uit te voeren heroverweging vooruitlopen door een vervoersvoorziening toe te kennen. Voor het beantwoorden van de vraag welke voorziening voor [minderjarige] passend en geboden is, is echt een deskundigenadvies nodig. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter verzoekers uitgelegd welke juridische stappen zij eventueel tegen verweerder of de gemeente Zoetermeer kunnen ondernemen (zoals een kort geding) indien zij van mening zijn dat de gemeente onrechtmatig handelt, bijvoorbeeld door de procedure onnodig te vertragen. 3. Thans is van belang dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uiterlijk op 15 maart 2024 dient de beslissen op het bezwaar. Die termijn loopt nu nog, maar zal worden overschreden. Immers, gebleken is dat de hoorzitting van de bezwaarcommissie op 2 april 2024 zal plaatsvinden. Aan de hand van het deskundigenadvies van Salude zal dan zo spoedig mogelijk een beslissing op het bezwaar moeten worden genomen. Nu verzoekers al zo lang op een besluit hebben moeten wachten mag van verweerder worden verwacht dat hij aan deze zaak prioriteit geeft, en binnen twee weken na de hoorzitting op het bezwaar beslist. Als verweerder onverhoopt niet binnen die termijn beslist, kunnen verzoekers beroep instellen bij de rechtbank tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Verwezen wordt naar artikel 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
3. Aangezien bij de huidige stand van zaken (nog) geen voorlopige voorziening kan worden getroffen, wijst de voorzieningenrechter het daartoe strekkende verzoek af.
4. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden, nu de behandeling van het bezwaar al geruime tijd in beslag neemt en de beslissing op het bezwaar zeker pas na de beslistermijn zal worden genomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024 door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.