Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:3581
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,942 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39630
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens haar niet op tijd opnieuw heeft beslist op haar opvolgende asielaanvraag van 25 juni 2021. De staatssecretaris heeft ondanks een verzoek daartoe geen verweerschrift ingediend.
Op 16 maart 2023 heeft de staatssecretaris een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Hij heeft dit besluit op 2 mei 2023 ingetrokken. Dit betekent dat alsnog op de asielaanvraag beslist moet worden.
Beoordeling
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd heeft beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag. Dit is de zogenoemde ingebrekestelling. Als er na twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2.1.
Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaald dat artikelen 4:17 tot en met 4:10, afdeling 8.2.4a (waarin de artikelen 8:55c en 8:55d staan) en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit artikel sluit dus uit dat in een asielzaak een rechterlijke dwangsom wordt opgelegd en een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd.
2.2.
In de uitspraak van 30 november 2022 heeft de Afdeling artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarin is bepaald dat de rechtbank de staatssecretaris geen rechterlijke dwangsom kan opleggen als hij te laat beslist op een aanvraag om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend verklaard wegens strijd met artikel 47 van het EU-Handvest. Het gevolg van dit oordeel is dat de rechtbank weer een rechterlijke dwangsom kan opleggen.
3. De rechtbank beoordeelt daarom in deze uitspraak of het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond is. Omdat zij onder 3.1 deze vraag bevestigend beantwoordt, legt de rechtbank de staatssecretaris onder 4.2 een beslistermijn op en legt zij onder 5 de staatssecretaris een dwangsom op.
3.1.
Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 25 juni 2021. De staatssecretaris heeft met het besluit van 16 maart 2023 de aanvraag afgewezen. Op 2 mei 2023 heeft de staatssecretaris dat besluit ingetrokken en daarbij aangegeven dat hij opnieuw op de opvolgende asielaanvraag van eiseres zal beslissen. Eiseres heeft de staatssecretaris op 27 november 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig opnieuw beslissen op de aanvraag. Op
28 november 2023 heeft de staatssecretaris de ingebrekestelling bevestigd. Eiseres heeft vervolgens op 19 december 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De staatssecretaris heeft tot op heden nog steeds niet opnieuw een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
4. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
4.1.
De redelijke termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken op 25 maart 2023. Uit het dossier blijkt niet dat de staatssecretaris na de intrekking van het besluit van 2 mei 2023 eiseres (aanvullend) heeft gehoord dan wel of hij meer informatie nodig heeft om opnieuw op de aanvraag te beslissen. Verder blijkt uit het dossier niet wat de staatssecretaris na de op 28 november 2023 aan eiseres verstuurde ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling heeft gedaan. Daar komt bij dat de staatssecretaris, ondanks een verzoek daartoe, geen verweerschrift heeft ingediend. De rechtbank gaat er vanuit dat er geen beletselen zijn voor de staatssecretaris om opnieuw op de aanvraag van eiseres te beslissen.
4.2.
De rechtbank legt een beslistermijn van zes weken op. Dit betekent dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat in dit geval een langere beslistermijn dan zes weken opgelegd zou moeten worden.
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 4.2 genoemde termijn wordt overschreden. Omdat het beroep in deze zaak gegrond is en de staatssecretaris na de intrekking van het besluit op 2 mei 2023 nog steeds geen nieuw besluit op de aanvraag heeft genomen, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de onder 4.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen, waarbij de rechtbank de onder 6 genoemde dwangsom verbindt.
7. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
De hoogte van de dwangsom en het geldende maximum zijn gebaseerd op het landelijk beleid van de rechtspraak.