Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-20
ECLI:NL:RBDHA:2024:3572
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,562 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6076
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om studiefinanciering.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 7 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2023 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 maart 2024 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 7 juni 2023 een aanvraag om studiefinanciering ingediend in verband met het volgen van een éénjarig Voorbereidingsprogramma Taal- en Letterkunde - één taal aan de Vrije Universiteit Brussel per 1 september 2023. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het een eenjarig voorbereidingsprogramma betreft en voor dergelijke voorbereidingsprogramma’s bestaat in Nederland geen recht op studiefinanciering.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres verwijst naar artikel 11, sub c, onder i, van de Richtlijn 2005/36/EG en stelt dat zij recht heeft op studiefinanciering omdat zij een voltijdse opleiding volgt op het niveau van postsecundair onderwijs dat gelijkwaardig is aan het niveau van de opleidingen in Nederland. Eiseres stelt daarnaast dat het voorbereidingsprogramma te vergelijken is met de pre-master opleiding Letterkunde en het Literaire Veld (pre-master Letterkunde) aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, die wel recht geeft op studiefinanciering.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat eiseres niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, omdat het voorbereidingsprogramma niet voldoet aan de eisen van artikel 2.14, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Het voorbereidingsprogramma betreft immers geen geaccrediteerde opleiding, is bedoeld ter voorbereiding op een aansluitende masteropleiding en leidt niet tot het behalen van een associate degree, bachelor- of masterdiploma. Daarnaast blijkt uit de door eiseres overgelegde stukken dat de pre-master Letterkunde deel uitmaakt van de bachelorfase en om die reden dus recht geeft op studiefinanciering.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de Richtlijn 2005/36/EG niet van toepassing is op de situatie van eiseres, nu de Richtlijn betrekking heeft op personen die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven een gereglementeerd beroep willen uitoefenen. Om de vraag te beantwoorden of in dit geval recht bestaat op studiefinanciering, moet gekeken worden naar de Wsf 2000. Op grond van artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 komt een student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding in het buitenland slechts in aanmerking voor studiefinanciering voor zover in Nederland voor een vergelijkbare opleiding ook studiefinanciering wordt verstrekt. Niet in geschil is dat eiseres staat ingeschreven voor een voorbereidingsprogramma dat geen deel uitmaakt van een bachelor- of masteropleiding. Verweerder heeft toegelicht dat een voorbereidingsprogramma bedoeld is voor het wegwerken van kennisdeficiënties bij de student. Aan de student die slaagt voor het voorbereidingsprogramma, wordt toestemming verleend om zich in te schrijven voor de aansluitende masteropleiding. Omdat een voorbereidingsprogramma geen deel uitmaakt van een bachelor- of masteropleiding, bestaat voor het volgen van dit programma in Nederland gelet op artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf 2000 geen recht op studiefinanciering, waardoor ook voor het volgen van een voorbereidingsprogramma in het buitenland geen recht op studiefinanciering bestaat. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog van eiseres dat de soortgelijke pre-master Letterkunde in Nederland wel recht geeft op studiefinanciering, slaagt niet. Verweerder heeft immers toegelicht dat van een gelijkwaardige situatie geen sprake is, omdat uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat de pre-master Letterkunde deel uitmaakt van een voltijdse bacheloropleiding. Voor zover in die specifieke situatie er wel recht op studiefinanciering bestond, leidt dat niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiseres dan ook terecht afgewezen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.