Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:3502
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,875 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40467
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 1 december 2023 (het bestreden besluit), waarbij de staatssecretaris de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de geboortedatum van eiser.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt eerst (ambtshalve) of eiser procesbelang heeft bij het beroep, omdat zijn asielaanvraag is ingewilligd. Er bestaat procesbelang bij betwisting van persoonsgegevens en daarmee ook bij betwisting van de geboortedatum. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 september 2003 volgt namelijk dat een vreemdeling alleen daadwerkelijk over een verblijfsvergunning beschikt, als deze is verleend op basis van de juiste persoonsgegevens. Dit vindt ook steun in de rechtspraak van de Afdeling dat de beoordeling van de redenen voor asielbescherming alleen kan plaatsvinden tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Eisers leeftijd kan daarnaast van belang zijn bij een eventueel verzoek om nareis van familieleden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het beroep is ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt het beroep inhoudelijk.
4. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de geboortedatum van eiser juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser heeft op 8 oktober 2021 in Nederland asiel aangevraagd. Daarbij heeft eiser als geboortedatum [datum 1] opgegeven. Twee medewerkers van de AVIM hebben geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. De hoormedewerker van de IND heeft op 22 oktober 2021 geconcludeerd dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
7. Naar aanleiding van de niet eensluidende conclusies van de schouwen heeft de staatssecretaris nader onderzoek verricht. De staatssecretaris heeft informatie opgevraagd bij de Griekse autoriteiten, waar eiser eerder asiel heeft aangevraagd. Uit informatie van de Griekse autoriteiten van 24 november 2021 blijkt dat eiser in Griekenland is geregistreerd met de geboortedatum [datum 2]. Eiser heeft over deze registratie verklaard dat hij bij aankomst in Griekenland ziek was en dat zijn vrienden deze geboortedatum aan de autoriteiten hebben opgegeven.
8. Eiser heeft bij zijn aanvraag in Nederland een geboorteakte, een identiteitsbevestiging en een politieverklaring overgelegd. Deze documenten zijn gedateerd op 20 december 2018. Uit onderzoek van Bureau Documenten van 30 december 2021 is gebleken dat de documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn, omdat de verschijningsvorm afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.
9. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit ingewilligd. De staatssecretaris heeft daarbij de in Griekenland geregistreerde geboortedatum aangehouden, onder verwijzing naar werkinstructie 2023/6. Eiser heeft geen echt bevonden identificerende documenten overgelegd waaruit blijkt dat de registratie van de Griekse autoriteiten niet juist is. Bovendien zijn eisers verklaringen volgens de staatssecretaris onvoldoende om de registratie niet te mogen volgen.
De leeftijdsschouw
Eiser voert aan dat niet inzichtelijk is op basis waarvan de hoormedewerker van de IND tot de conclusie is gekomen dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. De hoormedewerker heeft belangrijk gewicht toegekend aan onjuiste feitelijke waarnemingen, zoals een terugwijkende haargrens en lijntjes rond de mondhoeken en op het voorhoofd. Volgens eiser heeft de staatssecretaris ten onrechte de verschillen in beoordeling door de medewerkers van de AVIM en de hoormedewerker genegeerd.
10. Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de leeftijdsschouw die verricht is door de hoormedewerker onvoldoende inzichtelijk en concludent. De hoormedewerker heeft op basis van een opsomming van lichamelijke kenmerken, gedrag en verklaringen van eiser geconcludeerd dat twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Uit de conclusie van de hoormedewerker blijkt echter niet welke specifieke uiterlijke kenmerken, gedragingen en/of verklaringen tot deze conclusie hebben geleid. De hoormedewerker heeft evenmin geconcretiseerd waarom bepaalde specifieke uiterlijke kenmerken, gedragingen of verklaringen tot twijfel aan de minderjarigheid van eiser zouden leiden. Uit het verslag blijkt bovendien dat de hoormedewerker, in tegenstelling tot de medewerkers van de AVIM, een iets terugwijkende haargrens heeft waargenomen, alsmede zichtbare lijntjes rond de mondhoeken en op het voorhoofd. Het feit dat objectief waarneembare lichamelijke kenmerken tot verschillende waarnemingen leiden en het feit dat niet duidelijk wordt op grond van welke specifieke waarneming omtrent kenmerken, gedrag en verklaringen of combinatie daarvan de conclusie is getrokken dat er twijfel bestaat over de leeftijd, doet de vraag rijzen of de schouw voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Desgevraagd heeft de staatssecretaris daarover op zitting onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris niet zonder meer mocht afgaan op het resultaat van de leeftijdsschouwen.
11. Gelet op het voorgaande zijn de resultaten van de leeftijdsschouwen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en concludent. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit gebaseerd op de (conclusies van de) schouwen. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig voorbereid. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het feit dat de leeftijdsschouwen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en concludent zijn, betekent namelijk niet dat de staatssecretaris, gelet op de specifieke situatie van eiser, niet kon uitgaan van de Griekse registratie en de meerderjarige leeftijd van eiser.
De Griekse registratie
12. Eiser voert aan dat hij duidelijke verklaringen heeft afgelegd, op grond waarvan de juistheid van de Griekse registratie van zijn geboortedatum betwijfeld moet worden. Bovendien hebben de Griekse autoriteiten aangegeven dat eiser geen documenten heeft overgelegd en dat geen leeftijdsonderzoek is verricht. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag in Nederland documenten overgelegd waarop zijn juiste geboortedatum staat. Gesteld noch gebleken is dat Bureau Documenten over vergelijkingsmateriaal uit Johwar beschikt. Bovendien accepteert verweerder ook echte documenten uit Somalië niet. Ter zitting heeft eiser verwezen naar een uitspraak van het EHRM van 18 januari 2024 en een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 februari 2024. Daaruit blijkt volgens eiser dat niet zonder meer mag worden afgegaan op de registratie van de Griekse autoriteiten dan wel op de registratie van een andere lidstaat.
13. De rechtbank overweegt allereerst dat het uitgangspunt is dat de staatssecretaris op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Dat blijkt uit rechtspraak van de Afdeling. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aanknopingspunten naar voren te brengen op grond waarvan twijfel kan ontstaan over de registratie in de andere lidstaat.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris kunnen overwegen dat eiser daarin niet is geslaagd. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat eiser documenten heeft overgelegd die door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn bevonden. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde geboortedatum, temeer nu eiser heeft verklaard dat hij de documenten samen met zijn moeder in Somalië heeft aangevraagd en hij de documenten derhalve heeft overgelegd als zijnde authentieke documenten.
15.
Conclusie
18. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de staatssecretaris mag uitgaan van de geboortedatum 14 februari 2000.
19. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zaaknummer 200304676/1
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zaaknummer 16112/20
ECLI:NL:RBDHA:2024:1295
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134, 4 juni 2021,
ECLI:NL:RVS:2021:1184 en 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2659
Pagina 4 en 17 van het AMG