Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:3441
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,977 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1192
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
(gemachtigde: mr. W.J. Samuels).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op zijn verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
1.1.
Bij deelbesluit van 10 augustus 2022 met onderwerp ‘Vaccinaties en medicatie’ november 2020 ( [nummer] , het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van de Wet open overheid (Woo) een beslissing genomen op de verzoeken van eiser.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift tegen het primaire besluit.
1.3.
Bij besluit van 10 maart 2023 ( [kenmerk] , het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, voor zover dit ziet op het ontbreken van de vindplaats van de reeds openbare documenten, gegrond verklaard en het primaire besluit in zoverre herroepen. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting was op 27 november 2023. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. [naam 1] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen om een nadere reactie te geven, waarop verweerder vervolgens kan reageren.
Partijen hebben gereageerd. Voorts hebben zij, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Bij het eerste verzoek van 30 december 2020 heeft eiser verzocht om inzicht in documenten waaruit blijkt hoe de wettelijke aansprakelijkheid is geregeld tussen de overheid en leveranciers van de Covid-19-vaccins over de periode tot en met 30 december 2020 (verzoek 2020.269).
Bij het tweede verzoek van 6 december 2021 heeft eiser verzocht om documenten waaruit hij kan opmaken hoe de wettelijke aansprakelijkheid is geregeld tussen de overheid en de leveranciers van de Covid-19-vaccins die Nederland afneemt of gaat nemen en ziet op de periode vanaf 30 december 2020 tot en met 6 december 2021 (verzoek 2021.279).
2.2.
Bij deelbesluit van 10 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een beslissing genomen op de verzoeken van eiser. Vermeld is dat naast eiser ook andere verzoekers om veel informatie hebben verzocht en eiser krijgt daarom als (een) verzoeker gefaseerd (per categorie/per maand) de informatie toegestuurd.
Dit deelbesluit ziet op deelonderwerp ‘de maand november 2020’, met bijlagen B, C en D.
Bijlage B is een algemene inventarislijst en bevat een aanduiding van documenten van november 2020 over de categorie ‘Vaccinaties en medicatie’. Vermeld bij de documenten is of deze deels-, geheel of niet openbaar zijn (of worden gemaakt), met vermelding van de beoordelingsgrond.
Bijlage C bevat een inventarislijst met nummers van documenten die specifiek zien op het verzoek van eiser.
Bijlage D is een overzicht opgenomen van deelbesluiten die eiser al ontvangen heeft, de nog te ontvangen deelbesluiten en de deelbesluiten die al online zijn gepubliceerd.
Vermeld is dat eiser in het kader van zijn verzoek 2020.269 de besluiten inzake vaccinaties & medicatie september 2020 van 25 februari 2022 (3324842-1025145-WJZ), van
29 april 2022 inzake oktober 2020 (3350793-1027579-WJZ) en van 7 juli 2022 inzake december 2020 (3395155-1032354-PDO) heeft gekregen. Hij zal nog besluiten krijgen over maart t/m juli 2020. Voorts is vermeld dat eiser in het kader van zijn verzoek 2021.279 het besluit inzake vaccinaties & medicatie december 2022 van 7 juli 2020 (3395155-1032354-PDO) heeft gekregen. Hij zal nog besluiten krijgen over januari 2021 t/m december 2021.
2.3.
Op 4 oktober 2022 zijn documenten, met uitzondering van opgeschorte documenten, feitelijk verstrekt met een inventarislijst. Op 26 oktober 2022 heeft een (aanvullende) verstrekking van documenten plaatsgevonden, omdat bij de verstrekking op
4 oktober 2022 een systeemfout was opgetreden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar een aanvullende bijlage met een nieuwe inventarislijst, waarop ook de reeds openbare documenten met vindplaats zijn vermeld. Voor zover het bezwaar ziet op de documenten die eiser niet heeft kunnen vinden, is meegedeeld dat de openbaarmaking van de documenten met nummers 957732 en 961829 is opgeschort in het kader van lopende bezwaarprocedures. Met betrekking tot het document 964575 zal een herstelbesluit worden genomen.
Het niet tijdig beslissen op het bezwaar
3. Eiser heeft een beroep niet tijdig beslissen ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het primaire besluit. Na indiening van het beroep heeft verweerder alsnog de beslissing op bezwaar genomen. Omdat er inmiddels is beslist op het bezwaar van eiser, heeft hij geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
In dit kader bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Het beroep tegen het bestreden besluit
4.1.
Verweerder heeft bij brief van 13 april 2023, nadat eiser heeft gesteld dat hij de bij het bestreden besluit behorende bijlage (de inventarislijst) niet had gekregen, deze bijlage ingezonden.
4.2.
Eiser heeft met uitvoerig gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit.
Voor de onderbouwing van zijn nadere gronden van 15 november 2023 heeft eiser hij gesteld dat door een informatiedeskundige een analyse is opgesteld van het primaire besluit, de diverse inventarislijsten en op basis van de feitelijk verstrekte stukken. Hij verzoekt om vergoeding van de gemaakte kosten voor de analyse van de informatiedeskundige.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn gronden in het beroepschrift zeer uitvoerig uiteen heeft gezet. Uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de rechtbank in haar uitspraak niet op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk hoeft in te gaan. De rechtbank moet wel alle argumenten bezien, maar mag zich in de uitspraak beperken tot de kern van de door eiser naar voren gebrachte gronden.
5.2.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat, anders dan eiser meent, het gegeven dat verweerder meer documenten heeft verstrekt dan waarom eiser heeft verzocht, niet maakt dat de besluitvorming onrechtmatig is.
5.3.
Ter zitting is een van de inventarislijsten die bij het primaire besluit is gevoegd besproken, die betrekking heeft op het specifieke verzoek van eiser (de zogenaamde ‘bijlage C’). Volgens eiser zijn er op deze inventarislijst documenten vermeld die feitelijk niet aan hem zijn verstrekt. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting geschorst en eiser de gelegenheid geboden om schriftelijk de gestelde discrepanties tussen de verschillende inventarislijsten inzichtelijk te maken aan de hand van documentnummers. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Volgens eiser zijn de documentnummers 938957, 941355, 964130, 964575, 965733 en 969289 wel opgenomen op de bijlage C, maar niet feitelijk verstrekt.
5.4.
Met betrekking tot de documenten met nummer 938957, 941355, 964130 en 969289 heeft verweerder bij brief van 8 december 2023 meegedeeld dat deze feitelijk zijn verstrekt. Eiser heeft op 14 december 2023 een op 15 november 2023 gedateerde bijlage ingezonden, waarin is meegedeeld dat hij deze documenten inderdaad inmiddels tot zijn beschikking heeft, zij het als gevolg van deze procedure. Hij heeft daarbij opgemerkt dat het betreffende platform van verweerder voor publicatie ook pas sinds 7 oktober 2023 beschikbaar is. De rechtbank overweegt dat deze documenten geen nadere beschouwing meer behoeven.
5.5.
Verweerder heeft voorts meegedeeld dat voor documentnummer 964575 op
24 november 2023 een herstelbesluit is genomen. Met dit besluit is het primaire besluit gedeeltelijk ingetrokken, voor zover dit ziet op dit document. Dit document is naar aanleiding van een bezwaar van een belanghebbende opnieuw beoordeeld en besloten is om het document niet openbaar te maken. Verweerder heeft het achterliggende document onder geheimhouding aan de rechtbank heeft verstrekt. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb geldt reeds dat uitsluitend de bestuursrechter kennis neemt van de stukken waarvan op grond van de Woo om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is van rechtswege verleend.
Eiser heeft geen beroepsgrond meer gericht tegen deze weigering, waardoor dit document niet langer in geschil is.
5.6.
Met betrekking tot documentnummer 965733 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit document reeds was geweigerd met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, niet ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2053), r.o. 7.1.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo