Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:3350
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5996
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 20 februari 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 6 maart 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2003 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ontbrekende stukken en redelijk vermoeden van illegaal verblijf
3. Eiser voert aan dat de stukken met betrekking tot de staandehouding ontbreken in het dossier en dat hij daarom niet de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij brief van 20 februari 2024 in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk 22 februari 2024, om 17:00 uur, de gronden van het beroep in te dienen. Verder stelt de rechtbank vast dat de onderliggende stukken, waaronder de stukken met betrekking tot eisers staandehouding, op 21 februari 2024 door verweerder zijn toegevoegd aan het digitale dossier, zodat eiser voldoende gelegenheid had om hierop te reageren.
5. Verder blijkt uit het proces-verbaal staandehouding dat eiser geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn overdracht aan Duitsland en hij om die reden staande is gehouden, zodat reeds hierom voldoende duidelijk is geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
Maatregel van bewaring
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Als zware gronden staan in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
En als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist de zware gronden 3e en 3l. Hiertoe voert hij aan dat hij in Duitsland in de war was toen hij zijn geboortedatum heeft opgegeven, zodat het hem niet kan worden tegengeworpen dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. Verder ontbreekt het overdrachtsbesluit in het dossier en kan hij daar niet op ingaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3k feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
Zicht op overdracht
9. Eiser voert verder aan dacht het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt.
10. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn aan Duitsland ontbreekt nu eiser op 20 februari 2024 is overgedragen aan Duitsland.
Ambtshalve toets
11. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.