Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:322
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38217
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker], verzoeker
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: [naam 1]).
Procesverloop
Bij besluit van 5 december 2023 heeft verweerder de toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ambtshalve afgewezen en verzoeker geen uitstel van vertrek verleend.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 27 december 2023, desgevraagd, een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft op 2 januari 2024 een schriftelijke reactie ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.
2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dat kader moet getoetst worden of de gevraagde voorziening toegewezen moet worden omdat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Omdat uit het bericht van 19 december 2023 blijkt dat de opvang van verzoeker door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 4 januari 2024 zal worden beëindigd, maakt de voorzieningenrechter van deze bevoegdheid gebruik.
4. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] en heeft de Senegalese nationaliteit. Hij heeft eerder, op 7 juli 2021, een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag bij besluit van 5 juni 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen. Daarbij heeft verweerder verzoeker evenwel voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de toepassing van artikel 64 van de Vw ambtshalve afgewezen. Daar legt verweerder het volgende aan ten grondslag. Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 30 oktober 2023 volgt dat verzoeker onder meer PTSS met depressieve klachten heeft die gepaard gaan met suïcidaliteit en auditieve hallucinaties. Hiervoor krijgt verzoeker begeleiding van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Voorts gebruik hij als medicatie olanzapine, paroxetine en promethazine. Volgens het BMA zal zich bij het uitblijven van de noodzakelijke medische behandeling naar verwachting binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie voordoen. Verzoeker is niet in staat is om te reizen, tenzij hij direct na de reis fysiek kan worden overgedragen aan een psychiater van het Fann National University Hospital Center, Centre Hospitalier National Universitaire De Fann, in Dakar. Daarnaast wordt geadviseerd om verzoeker tijdens de reis te laten begeleiden door een psychiatrisch verpleegkundige. Verzoeker is vervolgens door verweerder bij brief van 31 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische zorg in Senegal voor hem niet toegankelijk is. Daar is verzoeker volgens verweerder niet in geslaagd en daarom heeft verweerder bij het bestreden besluit besloten dat verzoeker geen uitstel van vertrek wordt verleend.
6. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat hij de beslissing op het bezwaar in Nederland mag afwachten. Daartoe betoogt verzoeker dat de noodzakelijke medische zorg in Senegal voor hem niet toegankelijk is. In dat kader is onder meer van belang dat hij louter ongeschoold werk kan verrichten en van de inkomsten uit deze werkzaamheden de zorgkosten niet kan dragen. Voor zover van belang heeft verzoeker ook een prijsindicatie van de benodigde medicijnen overgelegd. Daarnaast heeft verzoeker geen familie om op terug te vallen aangezien zij hem vanwege zijn homoseksuele geaardheid niet accepteren. Uit het bericht van verzoeker van 21 december 2023 begrijpt de voorzieningenrechter dat het verzoek om een voorlopige voorziening er mede toe strekt dat verzoeker wil worden aangemerkt alsof op hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw van toepassing is, zodat hij recht op opvang blijft behouden.
7. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.
8. Niet in geschil is dat zich een medische noodsituatie binnen de eerdergenoemde indicatieve termijn zal voordoen bij het uitblijven van de noodzakelijke medische behandeling(en). Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker desondanks niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Uit het BMA-advies van 30 oktober 2023 volgt namelijk dat verzoeker in staat wordt geacht om te reizen indien wordt voldaan aan de door het BMA geadviseerde voorwaarden. Gesteld noch gebleken is dat hieraan niet zal worden voldaan door verweerder. Verzoeker heeft geen medische documenten overgelegd waaruit blijk dat hij niet in staat is om te reizen.
9. Daarnaast heeft verweerder zich naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. De noodzakelijke medische behandeling is volgens de beschikbare landeninformatie namelijk aanwezig in Senegal. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat deze zorg voor hem niet toegankelijk is. Verweerder heeft daarbij gewezen op paragraaf A3/7.1.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Hieruit volgt dat de omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek waar de medische behandeling kan plaatsvinden ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, onvoldoende reden vormt om een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Met de prijsindicatie van zijn medicijnen van 2007 en de enkele stelling dat de zorginstelling ver verwijderd is van zijn woonplaats, heeft verzoeker dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de zorg voor hem niet toegankelijk is. Nu de stelling dat verzoeker enkel ongeschoolde arbeid kan verrichten en daarmee de zorg niet kan bekostigen, niet is onderbouwd en verzoeker ook anderszins geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, kan er niet zonder meer van uit worden gegaan dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is in Senegal. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de stelling dat verzoeker geen hulp van zijn familie kan krijgen vanwege zijn homoseksuele geaardheid, niet leidt tot een ander oordeel. Daartoe acht de voorzieningenrechter redengevend dat deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 augustus 2023 reeds heeft geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig is. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 oktober 2023 staat het besluit in de asielprocedure in rechte vast. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.
10. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker dus niet behoort tot een van de in artikel 3, derde lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) genoemde categorieën asielzoekers die recht hebben op opvang in een opvangvoorziening. Geen van de in artikel 3, derde lid en onder f, g en h, van de Rva genoemde situaties zijn in het geval van verzoeker aan de orde. Het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de (ambtshalve) toepassing van artikel 64 van de Vw, heeft tot gevolg dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar in Nederland af mag wachten. Dit betekent echter niet dat door het indienen van een dergelijk verzoek ook de rechtsgevolgen van het besluit worden opgeschort, noch brengt dit met zich dat verzoeker rechtmatig in Nederland verblijft.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.