Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:3204
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,814 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/5079, SGR 23/5080, SGR 23/5081 en SGR 23/5082 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2024 op het verzet van
[opposante] , te [woonplaats] , opposante,
tegen de uitspraak van de rechtbank in haar zaken tegen
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Opposante heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 7 juni 2023 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gesplitst in bovengenoemde zaaknummers.
Bij uitspraak van 27 oktober 2023 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk ongegrond verklaard. Dit omdat op grond van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts tegen een op grond van de belastingwet genomen besluit bezwaar gemaakt kan worden en beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, .
2. In deze verzetzaak is op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht de zaken niet op een zitting heeft behandeld. De rechtbank kan de beroepen pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat niet in redelijkheid kan worden gezegd dat geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van de procedure. Opposante stelt : “Een redelijke wetsuitleg van artikel 26, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) brengt mijns inziens met zich dat niet alleen beroep openstaat bij de belastingrechter tegen een uitspraak op een bezwaar dat is gericht tegen een belastingaanslag, maar ook tegen een uitspraak op een bezwaar dat is gericht tegen een besluit op basis van ongeschreven recht (op een verzoek) tot wijziging of intrekking van een belastingaanslag.” Eiseres wijst erop dat bij een verzoek tot wijziging van een belastingaanslag de burgerlijke rechter bevoegd zou zijn, maar dat kost meer geld en bovendien is de burgerlijke rechter niet deskundig wat betreft belastingaanslagen. Ook zou de kans bestaan dat een afwijkende lijn wordt gehanteerd ten opzichte van belastingaanslagen.
4. Artikel 26, eerste lid, van de AWR luidt:
In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
Niet in geschil is dat opposante heeft verzocht om wijziging van de aan haar opgelegde aanslagen Inkomstenbelasting 2017 t/m 2020 en dat opposante uitdrukkelijk niet heeft beoogd een verzoek tot ambtshalve vermindering van die aanslagen te doen. Het is opposante te doen om wijziging van de aanslag zelf. Anders dan in geval van (de weigering tot) ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting, is aan de inspecteur niet opgedragen om op het verzoek om wijziging van een aanslag inkomstenbelasting te beslissen bij voor bezwaar vatbare beslissing. Duidelijk is dat de reactie van verweerder op het verzoek van opposante een aanslag noch een voor bezwaar vatbare beschikking is, zodat op basis van de tekst van artikel 26 van de AWR tegen dit besluit geen beroep open staat, en dus ook geen bezwaar kan worden gemaakt. De verzetsrechter is van oordeel dat artikel 26 van de AWR niet op een andere manier kan worden uitgelegd. De door opposante geponeerde stelling dat het redelijker zou zijn als onder aanslag en voor beroep vatbare beslissing ook wordt begrepen de wijziging van een aanslag of voor beroep vatbare beslissing, maakt dit niet anders. De rechtbank wijst nog maar eens op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen.
Overigens en geheel ten overvloede overweegt de verzetsrechter dat het belastingrecht de wijziging van een vastgestelde (en in rechte onaantastbaar geworden) aanslag niet kent en ook niet nodig heeft. Indien te veel of juist te weinig (inkomsten)belasting is geheven, kan de inspecteur een (ambtshalve) teruggaafbeschikking geven of een navorderingsaanslag opleggen. De eerder opgelegde aanslag wordt hierdoor niet gewijzigd, maar het verschuldigde bedrag wordt wel gecorrigeerd. Tegen zowel de navorderingsaanslag als de (weigering tot een) teruggaafbeschikking staat bezwaar open.
5. Uit vorenstaande volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij de beroepen zonder zitting kon afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 maart 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.