Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:3203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
917 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5003
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Procesverloop
1. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL24.5004, op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Duitsland heeft in het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld in overeenstemming met geldende Europese wet- en regelgeving.
Gelet op het Jawo arrest is het aan eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland hier niet meer aan voldoet. De aangehaalde passages uit het AIDA rapport zijn onvoldoende om te concluderen dat asielzoekers structureel terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Er zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit zou blijken dat eiser in Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 EVRM.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat, mochten zich problemen voordoen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen, het op de weg van eiser ligt om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Dat dit niet mogelijk is, is niet aannemelijk gemaakt.
6. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de mogelijkheid om te klagen ook geldt wanneer de aanvraag van eiser wordt afgewezen en hij vreest voor refoulement. Hiervoor zijn overigens geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 27 februari 2024 door mr. A. de Gooijer, rechter, in aanwezigheid van E.J. Iflé, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:EU:C:2019:218