Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:3039
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proceskostenveroordeling
946 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.799
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Coene),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 9 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 4 september 2022.
Bij besluit van 15 januari 2024 heeft de staatssecretaris asielaanvraag van verzoeker ingewilligd.
Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De staatssecretaris heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris aan verzoeker tegemoet is gekomen
door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing
te nemen op de aanvraag van verzoeker van 4 september 2022.
3. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten
kennelijk gegrond is.
4. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten die verzoeker heeft
gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het
beroepschrift ter waarde van € 875,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat
de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig
nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.