Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:2948
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,005 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 22/7450
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 11 oktober 2022 op het bezwaar van belanghebbende waarbij de bij beschikking vastgestelde waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 850.000 (de beschikking) en is verlaagd naar € 825.000 (de uitspraak op bezwaar).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2024.
Namens belanghebbende is verschenen [naam 1]. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en [naam 3] Hasper.
Overwegingen
1. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat enkel in geschil is of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ en of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of belanghebbende belang heeft bij de beoordeling van deze gronden. Naar het oordeel van de rechtbank is hier geen sprake van. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat de WOZ-waarde geen geschilpunt vormt. In bezwaar is een proceskostenvergoeding toegekend, waartegen belanghebbende in beroep geen gronden heeft aangevoerd. De rechtbank constateert dat ook indien belanghebbende op de resterende geschilpunten in het gelijk zou worden gesteld, dit hem niet in een betere positie kan brengen dan indien dit niet het geval was. Een eventuele proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vormt op zichzelf onvoldoende belang. Belanghebbende is evenwel ontvankelijk in zijn beroep, omdat dit rechtsmiddel hem, ongeacht de gronden, in een betere positie zou kunnen brengen. Daar is – gelet op de gronden van belanghebbende – in casu echter geen sprake van.
3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).