Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:2816
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,040 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1070
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Inleiding
In het besluit van 9 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Algerijnse nationaliteit.
2. Op 29 november 2019 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 7 februari 2020 heeft verweerder die asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was. Vervolgens is eiser vertrokken naar achtereenvolgens België en Zwitserland. Op 20 december 2023 is eiser door de autoriteiten van Zwitserland aan Nederland overgedragen.
3. In deze zaak gaat het om eisers asielaanvraag van 21 december 2023. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij thuis veel problemen heeft ervaren omdat zijn vader psychische problemen had en hem, zijn moeder en zijn zussen en broertje sloeg. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij in Algerije geen kansen kreeg om een beter leven op te bouwen en dat hij op zoek is naar een beter leven.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verder zijn er volgens verweerder geen elementen die te herleiden zijn tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Daarnaast heeft verweerder geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser verleend, omdat hij zijn gestelde psychische klachten niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ten slotte heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zijn onveilige thuissituatie en de slechte leefomstandigheden in Algerije, waartegen de overheid onvoldoende onderneemt, ten onrechte niet zijn aangemerkt als relevante elementen. Daarnaast hadden volgens eiser deze omstandigheden en zijn psychische klachten moeten leiden tot verblijfsaanvaarding op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte van hem als psychisch ziek persoon verwacht dat hij een medisch dossier bijhoudt, en dat er ten onrechte door verweerder geen onderzoek is gedaan naar zijn medische situatie.
6. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Wat eiser heeft verklaard is niet te herleiden tot vluchtelingschap, een reëel risico op ernstige schade of klemmende redenen van humanitaire aard. Omdat niet is gebleken dat eiser niet goed kon verklaren, en omdat hij geen enkel medisch stuk heeft overgelegd, was er geen aanleiding om een medisch onderzoek op te starten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Volgens verweerders werkinstructie 2014/10 ‘Integrale geloofwaardigheidstoets; inhoudelijke beoordeling (asiel)’ wordt een asielrelaas beoordeeld aan de hand van relevante elementen. Een relevant element is een feit of omstandigheid die raakt aan ten minste één onderwerp of verhaallijn en die in verband staat met vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Vluchtelingschap bestaat uit vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging. Ernstige schade kan zijn gelegen in de leefomstandigheden als sprake is van uitzonderlijk slechte humanitaire condities.
8. Eiser heeft in zijn nader gehoor van 2 januari 2024 verklaard dat hij aan zijn gewelddadige vader kon ontkomen door bij vrienden en familie te gaan wonen. Ook heeft eiser verklaard dat hij in Algerije toegang heeft tot werk, waardoor hij ook zijn eigen huisvesting zou kunnen bekostigen. Verder heeft eiser verklaard dat hij zich eerder niet tot de Algerijnse autoriteiten heeft gewend voor hulp. Verweerder heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat eisers asielrelaas, naast zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, geen relevante elementen bevat.
9. Het gaat in deze zaak om het afwijzen van een tweede asielaanvraag nadat een eerste asielaanvraag niet inhoudelijk is behandeld. Volgens het beleid van verweerder wordt er in dergelijke gevallen onder meer beoordeeld of sprake is van schrijnende omstandigheden die aanleiding geven tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Bij schrijnende omstandigheden zoals bedoeld in dit beleid, gaat het om omstandigheden die zich in Nederland voordoen. Eiser kan in dit verband dus geen beroep doen op de omstandigheden in Algerije. Omdat eiser daarnaast zijn gestelde psychische klachten niet heeft onderbouwd, heeft verweerder terecht geen verblijfsvergunning regulier aan hem verleend.
10. Uit het rapport van het nader gehoor van 2 januari 2024 blijkt niet dat eiser niet goed in staat is geweest om te verklaren. In dat opzicht heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiser medisch te onderzoeken. Daarnaast was het voor verweerder niet mogelijk om een medisch onderzoek in het kader van uitstel van vertrek op te starten vanwege het ontbreken van medische stukken. Het overleggen van een compleet medisch dossier is daarbij overigens niet vereist, maar wel zou eiser in ieder geval medische gegevens over zijn actuele behandeling moeten kunnen overleggen.
Conclusie
11. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_7368600000_1/1/.
Zoals bedoeld in respectievelijk het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011 in de zaak Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder de punten 281-283 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907).
Onderdeel C1/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Aldus ook onderdeel A3/7.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.