Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:2798
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,475 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/640
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 16 december 2022 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 758.000 (de beschikking).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2024.
Namens belanghebbende is verschenen [naam 1] , kantoorgenoot van de gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 665.000.
Beoordeling
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft ter zitting de grond over de oppervlakte van de woning ingetrokken. De rechtbank acht de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Belanghebbende refereert zelf aan het object [adres 2] , omdat dit object volgens hem een lagere waarde onderbouwt. Echter, de rechtbank kan niet uit de overgelegde informatie opmaken wat de secundaire kenmerken (KOUDV-factoren) van deze woningen zouden moeten zijn en er is ook geen eenheidsprijs gegeven waardoor onduidelijk is hoe belanghebbende met die transacties de door hem bepleite waarde onderbouwt.
Toezendplicht
4. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de gestelde schending van de toezendplicht enkel nog betrekking heeft op de waarde van de objectonderdelen. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte geen gegevens over de objectonderdelen van de woning verstrekt en hij verzoekt in dit kader om een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat deze gegevens zijn vermeld op het taxatieverslag dat per e-mail aan belanghebbende is verzonden. Belanghebbende betwist dat deze gegevens in het taxatieverslag stonden. Omdat de heffingsambtenaar de bijlage van de e-mail niet bij de stukken heeft gevoegd, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de gegevens van de objectonderdelen niet aan belanghebbede verstrekt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde dit echter ook niet, omdat deze gegevens niet onder de toezendplicht vallen. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld. De toezendplicht is aldus niet geschonden.
Overig
5. Ter zitting heeft belanghebbende verder aangevoerd dat hij het verweerschrift te laat heeft ontvangen en verzoekt ook in dit kader om een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Uit de administratie van de rechtbank blijkt echter dat dit verweerschrift meer dan tien dagen voor de zitting digitaal aan belanghebbende is verstrekt. Reeds daarom faalt deze grond. De jurisprudentie waar belanghebbende zich op beroept (ECLI:NL:GHSHE:2020:1739) betreft een andere situatie.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers rechter, in aanwezigheid van S. Liesveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.