Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:2708
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,279 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5553
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
1. Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De staatssecretaris heeft de maatregel van bewaring op 15 februari 2024 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, zijn gemachtigde evenmin. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de overdracht van eiser gewerkt?
3. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de beschikking van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft in verband met deze beschikking op 8 februari 2024 een voorlopige voorziening ingediend. Op 8 februari 2024 zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling van de voorlopige voorziening op 27 maart 2024. De staatssecretaris heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van de voorlopige voorziening naar voren te halen omdat eiser anders niet binnen zes weken overgedragen kan worden. Eiser heeft vervolgens op 13 februari 2024 de rechtbank ook verzocht om een eerdere behandeling van de voorlopige voorziening. De verzoeken zijn niet ingewilligd. Toen vaststond dat de datum van behandeling van de voorlopige voorziening pas op 27 maart 2024 zou plaatsvinden is tot de conclusie gekomen dat eiser niet binnen de daarvoor geldende termijn overgedragen zou kunnen worden. Daarom heeft de staatssecretaris de maatregel opgeheven; dat was twee dagen nadat eisers verzoek om een eerdere behandeling van de voorlopige voorziening ook niet was ingewilligd. Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij wel wilde meewerken aan zijn vertrek naar Engeland.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft de drie zware gronden en de drie lichte gronden, die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, en de motivering daarvan niet betwist. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht volgt en in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat hij wil meewerken aan zijn vertrek maar dat hij niet naar Bulgarije wil worden overgedragen terwijl dat land verantwoordelijk is.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan rechtmatig is opgelegd. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.