Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:2695
Civiel recht; Insolventierecht
Bodemzaak
2,224 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: C/09/657058 / FT RK 23/867 en FT RK 23/868
vonnis van 27 februari 2024
in de zaak van
[naam 1]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: de heer [naam 1] ,
tegen
MGE Metterwoon Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door Korenhof & Partners,
gevestigd te Den Haag,
hierna: verweerster.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam 1] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat één schuldeiser niet met dit voorstel heeft ingestemd, heeft de heer [naam 1] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Feiten
1.1.
De heer [naam 1] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 25.022,61 aan achttien schuldeisers. Het is de heer [naam 1] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van Zuidweg & Partners heeft hij voor het laatst op 24 juli 2023 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 56,16% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 28,08%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
Verweerster is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] heeft een schuld aan verweerster van € 7.299,32, dat is 29,17% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige zeventien schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam 1] 21 november 2023 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank verweerster dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Procesverloop
2.1.
De verzoeken van de heer [naam 1] zijn behandeld op de zittingen van 5 februari 2024 en 27 februari 2024. Op beide zittingen verschenen:
- de heer [naam 1] ;
- de heer [naam 2] , schuldhulpverlener namens Zuidweg & Partners;
- de heer mr. H.A. Vreeburg, namens verweerster.
3Standpunten van partijen
3.1.
De heer [naam 1] stelt dat het onredelijk is dat verweerster het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Verweerster stemt niet in met de aangeboden schuldregeling en voert aan dat het bedrijf van de heer [naam 1] ook zonder krediet levensvatbaar is, omdat hij zijn gehele schuldenlast zou kunnen aflossen als hij nog drie jaar langer doorspaart. Volgens verweerster is het voorliggende voorstel niet het uiterst haalbare en daarmee verkeert de heer [naam 1] volgens verweerster niet in een problematische schuldensituatie,
Beoordeling
4.1.
De rechtbank zal het verzoek van de heer [naam 1] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweerster weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door Zuidweg & Partners. Dat betekent dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. De rechtbank stelt daarentegen ook vast dat de ingediende verzoeken niet volledig compleet waren en de bijlagen deels onjuist waren ingevuld. Zo waren bijvoorbeeld de ontstaansdata van de schulden in eerste instantie niet correct ingevuld, en was hij de berekening van het vrij te laten bedrag geen rekening gehouden met het feit dat de heer [naam 1] grotendeels de zorg voor zijn minderjarige zoon op heeft zich heeft genomen. Dit heeft geleid tot vertraging, ten koste van de heer [naam 1] , terwijl dit niet aan de heer [naam 1] was te wijten.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen van een (groot) deel van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoeker zelf, van de weigerende schuldeiser en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
De heer [naam 1] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat de heer [naam 1] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. De heer [naam 1] ontvangt inkomsten uit eigen onderneming en kan, met behulp van het Bbz-krediet, een fors aanbod doen aan alle schuldeisers. Er is een voorstel gedaan dat gezien de omstandigheden van het geval als redelijk moet worden beschouwd en niet lager dan wat de heer [naam 1] in het wettelijke traject zou kunnen uitkeren.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 70,83% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. De belangen van deze schuldeisers wegen, vanwege de gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van verweerster.
4.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Het aangeboden akkoord wordt op korte termijn aan de schuldeisers overgemaakt, zodat zij het dossier kunnen sluiten.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft de heer [naam 1] geen belang meer bij zijn verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt verweerster in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in samenwerking met M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2024.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.