Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:2650
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
874 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/5628
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[Naam], verzoeker
V-nummer: [Nummer]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. Verzoeker heeft op 4 april 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), ingediend. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen op 15 mei 2023.
2. Bij brief van 23 mei 2023 aan verweerder is tegen het besluit bezwaar gemaakt, zonder dat daartoe gronden zijn ingediend. Tevens heeft verzoeker bij verzoekschrift van 23 mei 2023 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan een voorlopige voorziening treffen tegen een besluit waarbij, voorafgaand aan beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet verzoeker in het verzoekschrift de gronden van verzoek vermelden. Indien niet aan dit vereiste is voldaan, kan op grond van artikel 6:6 Awb het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits verzoeker de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Heeft verzoeker de gronden tijdig vermeld?
5. Verzoeker heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij aangetekende brief van 13 juni 2023 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen. Verzoeker heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Er is dan ook niet voldaan aan de eisen van artikel 6:5 van de Awb.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
6. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, op 20 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.