Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:2642
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1072
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).
Inleiding
In het besluit van 9 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. In beroep is niet bestreden dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging in Algerije heeft te duchten, noch is bestreden dat eiser bij terugkeer naar dat land geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser betwist alleen de afdoening van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond en de duur van het inreisverbod dat bij het bestreden besluit aan hem is uitgevaardigd.
2. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), kan een asielaanvraag als kennelijk ongegrond worden afgedaan als een vreemdeling zich niet onverwijld meldt voor het indienen van zijn asielaanvraag. Niet in geschil is dat eiser zich op 15 oktober 2023 heeft gemeld. Eiser heeft verschillende keren verklaard dat hij in september 2023 Nederland in is gereisd, hoewel die verklaringen vaag en tegenstrijdig zijn over de exacte datum. Eiser voert aan dat uit het advies van MediFirst van 23 december 2023 blijkt dat hij moeite heeft met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen, zodat hem dit niet mag worden tegengeworpen. Uit dit advies volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat eiser ook niet bij benadering kan verklaren over wanneer gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Verweerder gaat er daarom terecht vanuit dat eiser pas enkele weken na zijn inreis asiel heeft aangevraagd. De enkele verklaring in beroep dat hij meteen na aankomst in Nederland naar de politie is gegaan, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Eisers asielaanvraag is daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
3. Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw brengt vervolgens mee dat verweerder kan bepalen dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. Op grond van het dwingend geformuleerde artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt verweerder daarbij een inreisverbod uit. Op grond van artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren. Volgens onderdeel A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vaardigt verweerder voor zover mogelijk een inreisverbod uit voor de maximale duur. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelen bestuursorganen overeenkomstig de eigen beleidsregels (tenzij dat voor de belanghebbende onevenredige gevolgen heeft). De enkele, niet onderbouwde, stelling in beroep dat eiser in Nederland vrienden heeft gemaakt en dat hij een aanwinst wil zijn voor Nederland, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een inreisverbod van kortere duur had moeten uitvaardigen.
4. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2024 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.