Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:2579
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,257 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5560
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. Y.M. Schrevelius),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 december 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 21 februari 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 december 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:20870) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 28 december 2023, rechtmatig is.
4. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de
rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van
het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder
zitting uitspraak te kunnen doen. Eiser heeft zijn verzoek aan de rechtbank om gehoord te
worden op een zitting niet met concrete of feiten of omstandigheden toegelicht. De
rechtbank ziet daarom geen reden voor een mondelinge behandeling van het vervolgberoep.
5. Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder heeft namelijk sinds 28 december 2023 geen uitzettingshandelingen meer verricht. Daarnaast is er volgens eiser geen zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn.
6. De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld om anders te oordelen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat voor hem persoonlijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De enkele omstandigheid dat nog geen lp is afgegeven binnen een periode van twee maanden na de aanvraag is daarvoor onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting naar Marokko slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat verweerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en in verband met deze aanvraag op 2 januari, 26 januari en 13 februari 2024 heeft gerappelleerd. Daarnaast is er op 22 januari 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarmee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser naar Marokko.
8. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) en 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033).
Laissez-passer.