Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:2559
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,238 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5089
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. R.P. Duijn), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A.M. Schellings- Turowiecka. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres heeft deze gronden niet betwist. De rechtbank oordeelt dat deze gronden afdoende gemotiveerd zijn en volstaan om de maatregel van bewaring te dragen.
Doelmatigheid van de maatregel van bewaring
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de doelmatigheid van de maatregel van bewaring niet heeft beoordeeld. In het geval van eiseres is de maatregel van bewaring niet doelmatig omdat zij al zes keer eerder is uitgezet en steeds weer is teruggekomen naar Nederland. De maatregel van bewaring heeft daarom geen effect.
5. De rechtbank volgt eiseres niet en overweegt daartoe als volgt. Het doel van de vreemdelingenbewaring is om te voorkomen dat vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, zich onttrekken aan hun uitzetting. Een vreemdeling kan in bewaring worden gesteld als er een risico is dat de vreemdeling zich onttrekt aan het toezicht op vreemdelingen. In het geval van eiseres volgt dit risico op onttrekking uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en die niet zijn bestreden. Het feit dat eiseres al meerdere keren is uitgezet en vervolgens weer is teruggekeerd naar Nederland, is niet van belang bij de beoordeling of eiseres in bewaring kon worden gesteld. De rechtbank oordeelt dat verweerder eiseres in bewaring mocht stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 februari 2024
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.