Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:2540
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33405 en NL23.33406
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser en verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
In het besluit van 19 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat België daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 14 december 2023 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Op 23 januari 2024 heeft verweerder aangegeven niet over te gaan tot het vergoeden van de proceskosten, omdat de uiterste overdrachtstermijn was overschreden en geen onjuist besluit was genomen.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of vanwege gewijzigde omstandigheden.
4.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het inwilligen van de aanvraag van eiser niet tot gevolg heeft dat het bestreden besluit onjuist was of onrechtmatig is genomen. Verweerder is slechts tot een opname in de nationale procedure overgegaan, door overschrijding van de uiterlijke overdrachtstermijn. Hierdoor kon overdracht van eiser geen doorgang meer vinden. Ter staving van dit standpunt verwijst verweerder naar een aantal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en stelt vast dat de intrekking van het beroep het gevolg is van de overschrijding van de uiterlijke overdrachtstermijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze omstandigheden niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Er is daarom geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt om die reden als kennelijk ongegrond afgewezen.
5. Nu het beroep is ingetrokken, is er niet langer sprake van connexiteit. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de
rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U
moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is
verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw
verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie onder meer de uitspraken van 31 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:676 en van
8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.
Zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182 en de uitspraak van
3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1704.