Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:24021
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2024:24021 text/xml public 2026-03-23T11:51:23 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2024-08-14 SGR 23/4109 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24021 text/html public 2026-03-23T11:48:31 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2024:24021 Rechtbank Den Haag , 14-08-2024 / SGR 23/4109 Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder een Nederlands paspoort te verstrekken op grond van artikel 18, aanhef en onder a, van de Paspoortwet. Verweerder heeft dit geweigerd, omdat eiseres sinds 12 augustus 2016 staat vermeld in het Register Paspoortsignaleringen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Deze vermelding in het register is gedaan op verzoek van het OM, omdat eiseres in Nederland wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie dan wel een terroristische organisatie en van het plegen van oorlogsmisdrijven. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde reden was voor verweerder om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de signalering. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 23/4109 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] ( [land 1] ), eiseres (gemachtigde: mr. [gemachtigde 1]), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. [gemachtigde 2]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering aan haar een Nederlands paspoort te verstrekken. 1.1. Verweerder heeft bij besluit van 16 september 2022 (het primaire besluit) geweigerd aan eiseres een Nederlands paspoort te verstrekken. Bij besluit van 8 mei 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 6 maart 2024 behandeld. Hierbij waren aanwezig: mr. [gemachtigde 3] en mr. [gemachtigde 4] , kantoorgenoten van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen via een beeldverbinding. 1.5. De rechtbank heeft, nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, het onderzoek op 12 april 2024 heropent om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1436 en ECLI:NL:RVS:2024:1438. 1.6. Beide partijen hebben hierop een schriftelijke reactie ingediend. 1.7. Nu beide partijen hebben aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 1 augustus 2002 in [land 1] . In de periode 2002 tot 2020 was zij vrijwillig aangesloten bij de [organisatie] . Zij heeft op 17 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort bij de Nederlandse ambassade in [plaats] . Verweerder weigert een paspoort te verstrekken, omdat eiseres sinds 12 augustus 2016 staat vermeld in het Register Paspoortsignaleringen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (het register). 2.1. De vermelding in het register is gedaan op verzoek van het Openbaar Ministerie (OM), omdat eiseres in Nederland wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie dan wel een terroristische organisatie en van het plegen van oorlogsmisdrijven. In Nederland is nog geen strafrechtelijke vervolging tegen haar gestart. Hierover is eiseres door het OM bij brief van 15 december 2016 geïnformeerd. Verder is eiseres geïnformeerd dat [land 2] ( [land 2] ) op 14 december 2010 een arrestatiebevel tegen haar hebben uitgevaardigd vanwege haar betrokkenheid bij de gijzeling van drie Amerikaanse staatsburgers. Hierop is uitgebreider ingegaan in de e-mail van 11 juli 2022. Zij staat daarom sinds 29 september 2011 op de ‘ red notice list ’ van Interpol gesignaleerd. De vermelding van eiseres in het register is op 23 juli 2018, 13 juli 2020 en 10 juni 2022 gehandhaafd. 2.2. Verder volgt uit de e-mail van 11 juli 2022 dat de vervolging van eiseres in eerste instantie aan [land 1] of aan de [land 2] moet worden overgelaten. Als geen vervolging in deze landen mogelijk is, dan moet in Nederland een strafrechtelijke vervolging worden ingesteld, gelet op de ernst van de strafbare feiten. Daarbij is aangegeven dat zodra duidelijk is wat de uitkomst is van het Vredestribunaal in [land 1] het OM de paspoortsignalering opnieuw zal bezien. 2.3. Eiseres is gewezen op de mogelijkheid om met het OM tot overeenstemming te komen, maar deze overeenstemming is niet bereikt. Verweerder stelt dat na marginale toetsing de paspoortsignalering voldoet aan de op grond van artikel 18, aanhef en onder a, van de Paspoortwet gestelde vereisten. Niet is gebleken dat eiseres door het niet verstrekken van een Nederlands paspoort onevenredig wordt benadeeld. Eiseres is in het bezit van een Nederlandse identiteitskaart, geldig tot 20 februari 2027. Ook heeft verweerder eiseres driemaal een laissez-passer verstrekt voor een enkele reis naar Nederland, maar hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. Verder is zij in het bezit van een [plaatselijke] verblijfskaart, geldig tot 19 februari 2023. Wat vinden partijen in beroep? 3. Eiseres vindt dat verweerder haar paspoort niet had mogen weigeren op grond van de paspoortsignalering. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht ten aanzien van de aan de signalering ten grondslag gelegde feiten. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Zij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling waarin het beoordelingskader is uiteengezet. De (voortdurende) opname van eiseres in het register is onrechtmatig, want artikel 18 van de Paspoortwet is niet (langer) van toepassing. De weigering van de paspoortaanvraag is disproportioneel en onevenredig. Er zijn onvoldoende gronden voor weigering van het paspoort, omdat eiseres als partij deelneemt aan het [plaatselijke] Vredestribunaal in zaak 01 ‘Gijzeling, ernstige vrijheidsberoving en andere misdaden gepleegd door de [organisatie] ’. 3.1. Volgens verweerder heeft hij voldaan aan zijn vergewisplicht door inlichtingen in te winnen bij het OM over de actualiteit van de paspoortsignalering en het voortbestaan van de gronden die aan die signalering ten grondslag liggen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er gegronde reden voor twijfel is aan de rechtmatigheid van de signalering. Daarbij verwijst verweerder naar pagina 7 van het bestreden besluit. Verweerder ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het OM dat het – gelet op de ernst van de strafbare feiten – de mogelijkheid wil houden om in Nederland over te kunnen gaan tot strafrechtelijke vervolging. Dat geen sprake is van vluchtgevaar heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De voortdurende opname van de gegevens van eiseres in het register is daarom niet onrechtmatig. Dat de signalering niet langer noodzakelijk is, disproportioneel of onevenredig heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Toetsingskader 4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mocht de minister het verstrekken van het paspoort niet weigeren als de vermelding van de betreffende persoon in het Register evident onjuist is. Deze rechtsprak is recentelijk aangepast, in die zin dat nu geldt dat de minister moet beoordelen of er gegronde reden is voor twijfel aan de rechtmatigheid van de signalering. Als dat het geval is, mag de minister het verstrekken van het paspoort niet weigeren. Wat oordeelt de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde reden was voor verweerder om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de signalering. Verweerder heeft, zoals in rechtsoverweging 2.1. is overwogen, inlichtingen ingewonnen bij het OM over de actualiteit van de paspoortsignalering en het voortbestaan van de gronden die aan die signalering ten grondslag liggen.
Volledig
Het OM heeft toegelicht dat de grondslag voor de paspoortsignalering de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging in Nederland is wegens verdenking van de hiervoor genoemde strafbare feiten, waarvoor een bevel tot voorlopige hechtenis is toegelaten. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het OM mede gelet op de strafbare feiten die deel uitmaken van zaak 01 van het Vredestribunaal in [land 1] en van het uitleveringsverzoek van de [land 2] . Verweerder heeft hierbij verwezen naar pagina 7 van het bestreden besluit. Hiermee heeft verweerder voldaan aan zijn vergewisplicht. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018 leidt niet tot een ander oordeel, nu de Afdeling inmiddels uitgaat van het beoordelingskader, zoals onder rechtsoverweging 4 is vermeld. 5.1. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat niet is voldaan aan de twee cumulatieve vereisten genoemd in artikel 18, aanhef en onder a, van de Paspoortwet, zodat dit artikel in haar geval niet van toepassing is. Zoals verweerder in het bestreden besluit en op zitting heeft toegelicht is een verdenking van het plegen van een strafbaar feit voldoende om te voldoen aan artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet. Een strafrechtelijke vervolging hoeft nog niet te zijn aangevangen. Hoewel eiseres betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten is niet in geschil dat zij hiervan wordt verdacht. Ook is niet in geschil dat in Nederland geen strafrechtelijke vervolging is aangevangen. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het gegronde vermoeden bestaat dat eiseres als haar een paspoort zou worden verstrekt zich aan (mogelijke toekomstige) strafrechtelijke vervolging door Nederland kan onttrekken. Zoals verweerder heeft toegelicht is artikel 18 van de Paspoortwet ook van toepassing als een persoon zich al in het buitenland bevindt, zoals eiseres. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016. Dat eiseres al jaren goed contact met de Nederlandse ambassade en het Consulaat in [land 1] , dat de Nederlandse autoriteiten weten waar zij is en dat zij haar volledige medewerking verleent aan het proces bij het Vredestribunaal in [land 1] doet, hoewel dit in haar voordeel pleit, daaraan niet af, gelet op de ernst van de strafbare feiten en omdat dit geen garantie biedt voor eventueel vluchtgevaar na een strafrechtelijke veroordeling in Nederland. 5.2. Voor het betoog van eiseres dat artikel 18, eerste lid, van de Paspoortwet, niet is bedoeld voor nog niet bestaande strafrechtelijke onderzoeken, maar alleen ziet op situaties waarin een strafrechtelijke vervolging is aangevangen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De enkele verwijzing naar de wetsgeschiedenis van dit artikel is daartoe onvoldoende. 5.3. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat er onvoldoende gronden voor paspoortsignalering aanwezig zijn, omdat het Vredestribunaal in [land 1] de zaak in onderzoek heeft. Zoals verweerder in het bestreden besluit al heeft toegelicht is de procedure voor het [plaatselijke] Vredestribunaal een amnestie- of gratieregeling voor politieke en daarmee samenhangende misdrijven en geen strafrechtelijke vervolging in [land 1] . Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 hoeft amnestie of gratie in het buitenland in het geval van een verdenking van oorlogsmisdrijven niet aan een eventuele vervolging in Nederland in de weg te staan, althans uit het internationale recht vloeit voort dat niet snel wordt aangenomen dat van een vervolging kan worden afgezien vanwege een amnestie. Het enkele feit dat [land 1] de zaak van eiseres in onderzoek heeft, kan er volgens verweerder dan ook niet toe leiden dat de grond voor de signalering in het register daarmee is komen te vervallen. 5.4. In wat eiseres in haar schriftelijke reactie van 12 april 2024 heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel nu dit een herhaling is van de eerder in beroep aangevoerde argumenten. Proportionaliteits- en evenredigheidstoets weigering paspoortaanvraag 6. Verweerder moet de verstrekking van een paspoort weigeren, tenzij hij van oordeel is dat eiseres hierdoor onevenredig wordt benadeeld. Dit artikel biedt daarom geen ruimte voor een belangenafweging, maar slechts beoordelingsruimte bij de vraag of eiseres onevenredig wordt benadeeld door de weigering of vervallenverklaring. 6.1. Aangezien geen sprake is van een belangenafweging, was verweerder niet gehouden in het bestreden besluit het belang bij de weigering van het paspoort te motiveren. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit toch uitvoerig gemotiveerd. 6.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vervallenverklaring van het paspoort niet tot onevenredige benadeling van eiseres leidt. Verweerder heeft daarbij een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang dat met de weigering van het paspoort is gemoeid, namelijk dat eiseres zich niet aan strafvervolging kan onttrekken, dan aan het belang van eiseres om vrij te kunnen reizen. Daarbij is van belang dat eiseres in het bezit is van een Nederlandse identiteitskaart en een laissez-passer voor een enkele reis naar Nederland, zodat de beperking van de Unieburgerschapsrechten van eiseres als gevolg van de paspoortsignalering gering is. 6.3. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die zien op de proportionaliteit en de evenredigheid van de signalering grotendeels een herhaling zijn van wat eiseres in bezwaar al heeft aangevoerd en waarop verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan. In beroep heeft eiseres geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van haar bezwaren in het bestreden besluit onjuist, dan wel onvolledig is. 7. De rechtbank is niet gebleken dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding of een deugdelijke motivering. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [organisatie] , een linkse guerrillabeweging die tot 2016 een oorlog voerde tegen de staat. Op grond van artikel 18, aanhef en onder a, van de Paspoortwet, geldend ten tijde van het bestreden besluit. Artikel 140/140a van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 6 van de Wet Internationale Misdrijven. Desgevraagd heeft het OM aangegeven dat in de tweede helft van 2022 navraag is gedaan in de [land 2] en dat is bevestigd dat de ‘ red notice ’ nog steeds van kracht is. Zie ook de e-mail van 11 juli 2022. Als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet. Uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1551. Uitspraak van de Afdeling van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:897. Uitspraken van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1436 en ECLI:NL:RVS:2024:1438. Artikel 18 van de Paspoortwet. ECLI:NL:RVS:2016:603. ECLI:NL:HR:2018:2336. Op grond van artikel 45, tweede lid, van de Pw. Uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:778 en van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5829.