Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:23872
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.37957
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1994, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M.J.M. Ristra-Peeters),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Franca).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit waarbij hij ongewenst is verklaard.
1.1.
Bij besluit van 7 januari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ongewenst verklaard. Het hiertegen gemaakte bezwaar is op 4 oktober 2022 ongegrond verklaard. Op 17 oktober 2022 heeft eiser beroep ingesteld. Bij schrijven van 12 april 2023 heeft verweerder de beschikking van 4 oktober 2022 ingetrokken. Op 12 april 2023 heeft eiser zijn beroep ingetrokken. Vervolgens is bij het bestreden besluit van 27 november 2023 het bezwaar nogmaals ongegrond verklaard. Eiser heeft op 2 december 2023 beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met eisers verzoek om een voorlopige voorziening in de procedure over een faciliterend visum, op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de partner van eiser [partner] en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak de ongewenstverklaring van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Aan eiser is op 9 november 2021 een visum kort verblijf verleend. Vervolgens is eiser op 21 november 2021 door de Koninklijke Marechaussee van Schiphol aan de grens geweigerd. Eiser is op 2 december 2021 door de Politierechter van de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 10, vijfde lid, en artikel 2, aanhef en onder a van de Opiumwet.
5. Met het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder eiser ongewenst verklaard, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Hieraan legt verweerder de veroordeling van eiser ten grondslag. Omdat eiser aan de grens is geweigerd, valt hij volgens verweerder niet onder de regels van de Terugkeerrichtlijn, maar wel onder de regels van de nationale ongewenstverklaring. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser een first offender is, vindt verweerder dat deze omstandigheid in onderhavige vreemdelingrechtelijke procedure niet tot een ander oordeel leidt. Volgens verweerder leiden de omstandigheden die zich na de veroordeling hebben voorgedaan niet tot een ander oordeel. Hierbij betrekt verweerder dat er sinds de oplegging van de ongewenstverklaring slechts een termijn van 22 maanden is verstreken, sinds de invrijheidsstelling van eiser op 14 juni 2022 slechts 16 maanden, en er aan goed gedrag in detentie geen doorslaggevend gewicht wordt toegekend. Ook stelt verweerder dat de beoordeling of aan eiser een verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van het arrest Chavez-Vilchez buiten het bereik van deze procedure valt.
Het arrest Chavez-Vilchez
6. Eiser stelt dat verweerder in deze procedure wel ambtshalve zou moeten toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez. Het is namelijk wel degelijk relevant voor de beoordeling van de ongewenstverklaring of er aanspraak op Unierechtelijk verblijf bestaat. Bovendien kan eiser geen faciliterend visum krijgen zo lang er een SIS-signalering in het kader van de ongewenstverklaring is. Een en ander hangt dan ook met elkaar samen. Los daarvan moet eiser in Nederland zijn om een aanvraag ingevolge het arrest Chavez-Vilchez in te dienen en door de ongewenstverklaring kan hij niet inreizen. Daarbij komt dat verweerder ten aanzien van de ongewenstverklaring aan artikel 8 van het EVRM dient te toetsen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in het kader van de beoordeling van aanspraken ingevolge artikel 8 van het EVRM, ook Chavez-Vilchez aanspraken moeten worden meegewogen. Nu verweerder noch ambtshalve, noch in het kader van artikel 8 van het EVRM de door eiser gestelde aanspraak op het arrest Chavez-Vilchez heeft meegenomen, is het bestreden besluit op deze punten onrechtmatig. Ook heeft eiser een inwilligend besluit overgelegd inzake een verzoek tot opheffing van een ongewenstverklaring van een andere cliënt van de gemachtigde van eiser waarbij wel ambtshalve is getoetst aan het arrest Chavez-Vilchez.
6.1.
Verweerder heeft op de zitting en in het verweerschrift toegegeven dat ambtshalve aan het arrest Chavez-Vlichez getoetst had moeten worden, maar dat verweerder in de visumprocedure wel een inhoudelijke afweging heeft gemaakt op grond van het arrest Chavez-Vilchez en dat het volgens verweerder overduidelijk is dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van dit arrest. Verweerder heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn dochter en dat tussen hen geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Hierbij is volgens verweerder van belang dat verzoeker weliswaar foto’s, screenshots en WhatsApp-gesprekken heeft overgelegd, maar dat niet is gebleken dat eiser vanaf het vertrek van zijn partner en dochter zorg- en opvoedingstaken verricht. Verder acht verweerder van belang dat eiser in Suriname woont, terwijl de kinderen in Nederland bij hun moeder wonen. Hierdoor kan eiser geen fysieke zorg- en opvoedingstaken verrichten. Ook heeft eiser volgens verweerder niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij op afstand zorg- en opvoedingstaken zou verrichten, zoals het meebeslissen over belangrijke zaken aangaande de kinderen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat er op dit punt een gebrek in de besluitvorming bestaat. Zoals verweerder ook op de zitting heeft erkend, had verweerder namelijk wel ambtshalve moeten toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez in deze procedure en heeft dit ten onrechte in het bestreden besluit niet gedaan. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank kan en zal aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank acht het namelijk aannemelijk dat eiser door de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel niet is benadeeld, omdat verweerder uiteindelijk wel inhoudelijk heeft beoordeeld of eiser voldoet aan de voorwaarden van het verblijfsrecht Chavez-Vilchez en tot de conclusie kon komen dat eiser niet aan die voorwaarden voldoet. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Eiser woont in Suriname, terwijl de kinderen in Nederland bij hun moeder wonen. Niet met bewijsstukken is onderbouwd dat hij op afstand zorg- en opvoedingstaken verricht, zoals het meebeslissen over belangrijke zaken aangaande de kinderen. Eiser heeft weliswaar enkele ongedateerde screenshots overgelegd waaruit blijkt dat hij op een paar momenten heeft gevideobeld met de kinderen, maar hieruit blijkt niet dat hij dit op een dagelijkse basis doet en dus op die manier zorg- en opvoedingstaken verricht. Verder heeft de partner van eiser uitgelegd dat zij bang is dat er blijvende emotionele schade ontstaat bij haar dochter en is hier op de zitting aan toegevoegd door de gemachtigde van eiser dat zij vreest voor hechtingsproblemen bij het jongste kind, maar de rechtbank acht dit onvoldoende met stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat eiser niet met bewijsstukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er sprake is van de bedoelde afhankelijkheidsrelatie.
6.4.
Over de zaak die eiser heeft overgelegd waarin de ongewenstverklaring is opgeheven, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht deze casus niet vergelijkbaar met de zaak van eiser om de volgende redenen. Het ging daar om een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring, terwijl het in de zaak van eiser gaat om de oplegging van een ongewenstverklaring. Daarnaast is er bij die ongewenstverklaring meer tijd verstreken sinds het opleggen van de ongewenstverklaring dan bij eiser, te weten een ongewenstverklaring van 29 januari 2019 die is opgeheven op 21 februari 2024. Dat is dus ruim vijf jaar later.
Artikel 8 van het EVRM
7. Eiser is van mening dat verweerder miskent dat er geen sprake is van gezinsleven in Nederland. Eiser merkt op dat zijn partner en kindje tijdens zijn detentie hebben gebeld en op bezoek zijn gekomen. Bij de door verweerder gemaakte beoordeling valt meteen op dat op geen enkele wijze kenbaar het belang van de dochter van eiser is meegewogen, terwijl dat wel gedaan had moeten worden. Eiser merkt op dat verweerder ook bij een positieve verplichting de belangen van het kind dient te betrekken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de ongewenstverklaring mocht opleggen.
9. Gelet op het in rechtsoverweging 6.2. geconstateerde gebrek, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede om bij het passeren van dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting, met een waarde per punt van€ 875,- en een wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding nu eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr.I.S. Roefs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL24.12544.
Richtlijn 2008/115/EG.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, zaaknummer: C‑133/15, ECLI:EU:C:2017:354.
Schengeninformatiesysteem.
Eiser verwijst naar analogie naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:545 en 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2751 en van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:930.
Eiser verwijst naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Jeunesse van 3 oktober 2014, zaaknummer: 12738/10.
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van het EHRM inzake Omojudi van 24 november 2009, zaaknummer: 1820/08.
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van EHRM van 23 juni 2008, zaaknummer: 1638/03.