Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:23865
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,512 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/7068
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1958, van Syrische nationaliteit, eiseres,
[eiser]
, geboren op [geboortedatum] 1958, van Syrische nationaliteit, eiser,
Tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 11 november 2022 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek bij [referent] (hun zoon en referent, hierna: referent) afgewezen.
Bij besluit van 6 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2024. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser en eiseres zijn beide geboren op [geboortedatum] 1958 en van Syrische nationaliteit. Ze zijn gehuwd en hebben zes meerderjarige kinderen in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Nederland. Ze hebben op 11 november 2022 een visum kort verblijf aangevraagd om referent in Nederland te bezoeken. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft verweerder de bovengenoemde besluiten genomen.
2. Aan de afwijzing van de aanvragen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa, omdat de sociale en economische binding van eisers met Syrië onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken.
Heeft verweerder de aanvragen met deze reden mogen afwijzen?
3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder een onjuiste toets heeft gehanteerd. Volgens eisers moet beoordeeld worden of er redelijke twijfel bestaat dat eisers de geldigheidsduur van het visum zullen overschrijden. De sociale en economische binding met Syrië zijn daarbij slechts indicaties. Volgens eisers is er sprake van een economische binding met Syrië, dat heeft verweerder ook onderkend. Op grond daarvan kan volgens eisers al worden aangenomen dat er geen redelijke twijfel is. Eisers wijzen daarbij op de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 29 november 2013 en 9 juni 2020. Eisers stellen ook dat zij geen reden hebben om zich illegaal in Nederland of elders in de EU te vestigen. Zij hebben een zwaarwegend belang om tijdig terug te keren naar Syrië vanwege de dagelijkse zorg voor de oma van referent en de moeder van eiseres. Eisers zijn diepgeworteld in Syrië. Ze hebben er alles aan gedaan om voor het aangevraagde visum in aanmerking te komen. Er is geen reden om aan hun betrouwbaarheid te twijfelen.
4. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum verweerder een ruime beoordelingsruimte toekomt. Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en de economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen. Verder vloeit uit het toepasselijke gemeenschapsrecht voort dat het aan de aanvrager is om zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om Nederland dan wel de EU te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Verweerder heeft daarbij de sociale en economische binding van eisers met Syrië mogen betrekken. Een tijdige terugkeer kan namelijk voldoende gewaarborgd zijn als er én een (substantiële) economische binding én een (substantiële) sociale binding met het land van herkomst bestaat, maar kan ook voldoende zijn gewaarborgd door alleen een voldoende sterke sociale binding (of alleen een voldoende sterke economische binding) met het land van herkomst. Dit wordt ook bevestigd in de uitspraken waar eisers op hebben gewezen.
6. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder heeft mogen concluderen dat eisers geen zodanige sociale en economische binding hebben met Syrië dat tijdige terugkeer naar Syrië op basis daarvan redelijkerwijs gewaarborgd is. Verweerder ziet geen (substantiële) sociale binding met Syrië. Daartoe is relevant dat eisers geen eigen achterblijvend gezin in Syrië hebben en dat hun kinderen en familieleden in het Schengengebied verblijven. Er is dus wel een sociale binding van eisers met Nederland dan wel het Schengengebied. Dat ook nog familieleden van eisers in Syrië verblijven biedt onvoldoende tegenwicht hiertegen. Dat eisers hun (schoon)moeder verzorgen en dat niemand anders dat kan doen, hebben eisers ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zou dwingen tijdig naar Syrië terug te keren.
Verweerder heeft verder aangenomen dat er enige economische binding bestaat met Syrië, omdat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat eiser in Syrië een pensioenuitkering ontvangt, dat eisers in Syrië drie huizen en een winkelpand bezitten en dat eiser in het winkelpand een mini-markt beheert. Eisers hebben echter niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zij een regelmatig en substantieel inkomen verdienen met de werkzaamheden bij de mini-markt. Het pensioen en de onroerende zaken kunnen ook vanuit het buitenland worden beheerd. De economische binding op zichzelf en zonder verdere sociale binding met Syrië, heeft verweerder onvoldoende zwaarwegend mogen achten om tot een waarborg voor tijdige terugkeer te kunnen leiden. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de algemene situatie in Syrië instabiel is en dat de sociale banden van eisers met het Schengengebied sterk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder mogen afzien van het horen in bezwaar?
7. Eisers stellen dat verweerder niet had mogen afzien van het horen in bezwaar. Horen vormt een essentieel onderdeel in de bezwaarprocedure, zoals staat in de Werkinstructie 2022/20. Eisers hebben zich zonder hoorzitting niet eerder kunnen uitlaten over wat hen in het bestreden besluit voor het eerst wordt tegengeworpen.
8. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eisers in bezwaar is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor.
Eisers hebben in bezwaar nadere stukken ingebracht over hun economische binding, die (behalve de winst/inkomsten uit de minimarkt) wordt aangenomen. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om te horen. Eisers hebben in bezwaar ook nadere stukken ingebracht over hun eigen gezondheid en de zorg voor hun moeder. Zelfs als wordt aangenomen dat eisers zorgdragen voor hun moeder, is niet onderbouwd dat alleen eisers die zorg kunnen geven en niemand anders. Aangezien eisers bij toekenning van de aangevraagde visa kennelijk wel hun (schoon)moeder kunnen achterlaten in Syrië, wekt dit bevreemding. Eisers hebben ook niet concreet verzocht om een hoorzitting of aangegeven wat hun belang daarbij is. Bij deze stand van zaken heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om te horen. Daarbij wijst de rechtbank eisers erop dat zij in een aanvraagsituatie als deze moet aantonen dat ze voldoen aan de voorwaarden voor het visum kort verblijf. Uit de checklist, het aanvraagformulier en vragenlijst die verweerder hen in bezwaar heeft toegestuurd blijkt verder ook duidelijk welke informatie daarvoor nodig is.
Conclusie
9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eisers ingevolge genoemde regelgeving niet in aanmerking komen voor het gevraagde visum voor een kort verblijf bij referent. Verweerder heeft daarbij mogen afzien van het horen in bezwaar.
10. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Op grond van artikel 84, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.
Artikel 32, aanhef en onder b, van de Visumcode
ECLI:NL:RBDHA:2013:16244
ECLI:NL:RBDHA:2020:6540