Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:23857
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/10191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen
[eiseres 1] , geboren [geboortedatum] 1979, van Jemenitische nationaliteit, eiseres 1,
[eiser 1] , geboren [geboortedatum] 2011, van Jemenitische nationaliteit, eiser 2,
[eiseres 2] , geboren [geboortedatum] 2014, van Jemenitische nationaliteit, eiseres 3,
[eiser 2] , geboren [geboortedatum] 2017, van Jemenitische nationaliteit, eiser 4,
Tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2022 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf afgewezen.
Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 9 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2023. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, referente [Referente] en referent
[Referent] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres 1 woont samen met haar drie minderjarige kinderen (eisers 2, 3 en 4) in Oman (land van bestendig verblijf). Eisers hebben op 17 juni 2022 een visum kort verblijf aangevraagd omdat ze bij hun vermeende zus/tante (referente) in Nederland willen verblijven. Verweerder heeft de aanvragen bij vier afzonderlijke primaire besluiten afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn niet aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Naar aanleiding van de bezwaren hiertegen heeft verweerder eisers op 6 oktober 2022 de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegestuurd, met het verzoek deze ingevuld en ondertekend terug te sturen. Eisers hebben op 17 november 2022 aan dit verzoek voldaan.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvragen gehandhaafd. Verweerder heeft afgezien van het horen in bezwaar, omdat eisers in bezwaar geen nadere onderbouwing met stukken hebben gegeven die doet twijfelen aan het primaire standpunt.
3. Eisers voeren in de kern aan dat verweerder niet heeft mogen afzien van het horen in bezwaar. Uit het primaire besluit blijkt volgens eisers niet duidelijk waar de afwijzingen op zijn gebaseerd. Pas in bezwaar komt verweerder met nadere argumenten. Zo werpt verweerder tegen dat er onduidelijkheid bestaat over de herkomst van de stortingen op de bankrekening van eiseres. Ook werpt verweerder in het besluit op bezwaar voor het eerst tegen dat er onvoldoende middelen van bestaan zijn. Verweerder kan bij deze onduidelijkheid én een nieuwe weigeringsgrond niet afzien van het horen. Het bezwaar is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben ter zitting verklaard dat de in beroep nader ingebrachte stukken bedoeld zijn ter bespreking tijdens een hoorzitting in bezwaar.
4. De rechtbank verwerpt het betoog van eisers om de volgende redenen.
5. Voorop staat dat in een aanvraagsituatie als deze de bewijslast om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor het visum kort verblijf wordt voldaan op eisers rust.De rechtbank oordeelt dat uit de aanvraag met checklist, het primaire besluit en de Vragenlijst visumaanvraag duidelijk volgt met welke bewijsmiddelen eisers hun aanvragen moeten onderbouwen en wat er in bezwaar schort aan de aanvragen van eisers. Daarnaast volgt uit Bijlage II van de Visumcode ook wat aan bewijsmiddelen verwacht kan worden.
6. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat verweerder van het horen in bezwaar mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de bezwaargronden en ingevulde vragenlijst geen aanleiding hoeven zien om eisers te horen in bezwaar. Eisers hebben in bezwaar geen informatie of objectiveerbare bewijsmiddelen overgelegd die aantonen dat zij alsnog aan de voorwaarden voor een visum kort verblijf voldoen, terwijl voor hen voldoende duidelijk was en kon zijn welke informatie voor de beoordeling van de aanvragen essentieel was.
8. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf hebben eisers niet onderbouwd. De gestelde familierechtelijke band tussen eiseres 1 en referente is ook in bezwaar niet aangetoond. Voor zover eisers hebben betoogd dat ze het niet wisten wat er van hun verwacht kon worden volgt de rechtbank dat niet. Uit Bijlage II bij de Visumcode volgt onder C.2. dat bewijsstukken die dienen te worden verstrekt onder meer kunnen zijn 2. bewijs van familiebanden met de uitnodigende persoon. Op de bij de aanvragen ingevulde vragenlijst staat ook het benodigde te leveren bewijsmateriaal genoemd ten aanzien van onder meer; bewijs van de aard van de relatie met de persoon die bezocht gaat worden.
Verder hebben eisers ook hun sociale en economische binding met Oman (als land van bestendig verblijf) in bezwaar niet aangetoond. Er is geen onderbouwing gekomen van een achterblijvend gezin of gezinslid waarvoor eisers moeten zorgen. Er is in bezwaar niet onderbouwd wat de woon- en leefsituatie is in het land van bestendig verblijf. Onduidelijk is waar de echtgenoot van eiseres 1 verblijft en werkt en hoeveel het gezinsinkomen is. Verder heeft eiseres 1 op het aanvraagformulier aangegeven dat ze huisvrouw is en is er in bezwaar geen aanleiding gegeven op grond waarvan ervan kon worden uitgegaan dat dat niet het geval zou zijn. Bij de geretourneerde vragenlijst is immers nog ingevuld dat eiseres 1 niet werkt. Er kon bij verweerder aldus ook gelet hierop redelijke twijfel bestaan over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
9. Dat de in bezwaar overgelegde stukken bij verweerder (verdere) vragen oproepen, is gelet op het voorgaande in dit geval onvoldoende om te concluderen dat verweerder niet van het horen had mogen afzien. De in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode genoemde redenen zijn ieder voor zich afdoende om een visumaanvraag te weigeren, zodat de primaire afwijzingsgronden de weigering van de visumaanvragen, ook na het indienen van het bezwaar, zonder te horen, al kunnen dragen.
10. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Op grond van artikel 84, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a) ii van de Visumcode
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode
Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 14, eerste lid, van de Visumcode
ECLI:NL:RVS:2022:1918