Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:23781
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,321 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45357
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Deniz).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft op 1 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 november 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beoordeling
Wat vindt verzoeker?
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om twee maatregelen te treffen. Primair verzoekt hij – omdat hij in bewaring verblijft – de voorzieningenrechter te bepalen dat in dit geval de grensprocedure niet meer wordt toegepast. Subsidiair verzoekt hij de voorzieningenrechter te bepalen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort.
Wat vindt verweerder?
3. Verweerder wijst er in haar verweerschrift op dat de primair gevraagde voorziening te ver strekt, omdat deze zou betekenen dat verzoeker niet meer in bewaring zou mogen worden gehouden. Daarmee wordt een definitief oordeel gegeven over een besluit dat in deze procedure niet ter beoordeling voorligt, aldus verweerder. Over de subsidiair gevraagde voorziening merkt verweerder op dat het niet nodig is om deze voorziening te treffen, omdat zij verzoeker niet uit zal zetten zolang een verzoek om een voorlopige voorziening aanhangig is.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter maakt in dit geval gebruik van de in artikel 8:83, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid.
6. Gelet op de betrokken belangen, zoals die door verzoeker en verweerder naar voren zijn gebracht, waarbij voor de voorzieningenrechter zwaar weegt dat de primair gevraagde voorziening onomkeerbare gevolgen heeft voor de vreemdelingenbewaring, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de primair gevraagde voorziening te treffen.
7. De subsidiair gevraagde voorziening wijst de voorzieningenrechter wel toe. De meervoudige kamer zal binnen afzienbare tijd een vergelijkbare rechtsvraag beantwoorden als in de onderhavige zaak is aangevoerd. Daarom heeft verzoeker er belang bij om de uitkomst van zijn beroep in Nederland te kunnen afwachten. De toezegging van verweerder dat zij verzoeker niet uit zal zetten zolang er een voorlopige voorziening loopt, maakt niet dat van het treffen van een voorziening wordt afgezien, nu er na deze uitspraak geen verzoek meer aanhangig is. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek, voor zover dit ziet op het primaire verzoek om te bepalen dat de grensprocedure niet meer mag worden toegepast, af;
wijst het verzoek, voor zover dit ziet op het subsidiaire verzoek om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort, toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaaknummer: NL24.45356.