Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-12-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:23770
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,732 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/8086 (beroep) en AWB 24/8087 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 december 2024 in de zaken tussen
[eiseres]
, V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: I.B. Doerga),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).
Inleiding
1. Mevrouw [eiseres] (die hierna eiseres wordt genoemd) wil graag naar Nederland komen voor verblijf bij de heer [referent] (die hierna referent wordt genoemd). Hiervoor heeft zij toestemming nodig van de minister van Asiel en Migratie (hierna wordt deze verweerder genoemd). Zo’n toestemming wordt een machtiging tot voorlopig verblijf genoemd. Afgekort heet dit een ‘mvv’.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om verlening van zo’n mvv afgewezen op 25 mei 2023. Dit wordt ook wel het ‘eerste besluit’ genoemd. Eiseres heeft een brief geschreven waarin zij aangeeft dat zij het niet eens is met die afwijzing. Dit wordt ook wel een ‘bezwaar’ genoemd. Op 17 april 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Dat betekent dat verweerder eiseres geen gelijk geeft en dat de afwijzing van de aanvraag blijft staan. Dit besluit op bezwaar wordt ook wel het ‘bestreden besluit’ genoemd.
1.2.
Omdat eiseres het hier niet mee eens is, heeft zij beroep ingediend bij de rechtbank en daarbij ook gevraagd om een voorlopige voorziening.
2. Op 26 november 2024 is er een zitting bij de rechtbank geweest waar het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn besproken. Daarbij waren referent en de gemachtigde van eiseres aanwezig. Ook was de gemachtigde van verweerder aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [datum] 1963 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij woont in [land] . In 2022 heeft zij referent leren kennen toen zij bij haar dochter in Nederland verbleef. Zij zou graag weer naar Nederland willen komen, omdat zij wil samenleven met referent. Zoals hiervoor al is genoemd, heeft zij daarvoor een mvv nodig en die wil verweerder haar niet geven. Verweerder vindt dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben met elkaar. Volgens verweerder hebben eiseres en referent daarom geen familieleven dat beschermd moet worden zoals dat internationaal is afgesproken in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afgekort heet dit verdrag het ‘EVRM’.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij heeft daarvoor vier argumenten. Deze argumenten heten ‘beroepsgronden’. De rechtbank heeft deze beroepsgronden hieronder samengevat:
verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte genoemd dat er geen ‘exclusieve relatie’ is tussen eiseres en referent;
eiseres en referent hebben wel voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een duurzame relatie hebben met elkaar en het besluit is daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM;
aan andere mensen met vergelijkbare bewijsstukken is wel een mvv gegeven; en
verweerder heeft ten onrechte zonder toestemming van referent contact opgenomen met zijn familieleden, wat niet zorgvuldig is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat eiseres geen gelijk krijgt. Dit betekent dat verweerder haar aanvraag mocht afwijzen. Haar beroep wordt daarom ongegrond verklaard en haar verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet meer inhoudelijk behandeld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
6. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden hierna in de volgorde zoals hierboven is genoemd.
Is er sprake van een ‘exclusieve relatie? (beroepsgrond 1)
7. In het besluit staan twee redenen waarom eiseres geen mvv krijgt, namelijk dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres en referent een duurzame én een exclusieve relatie hebben. Op de zitting is duidelijk geworden dat verweerder de aanvraag van eiseres alleen heeft afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres en referent een duurzame relatie hebben met elkaar. Partijen hebben tijdens de zitting op een vraag hierover van de rechtbank geantwoord dat beroepsgrond 1 niet meer hoeft te worden besproken in deze uitspraak. Over beroepsgrond 1 geeft de rechtbank daarom geen oordeel meer.
Is er sprake van een duurzame relatie en is het besluit daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM? (beroepsgrond 2)
8. De rechtbank wijst er allereerst op dat het aan eiseres en referent is om aannemelijk te maken dat zij een duurzame relatie hebben met elkaar. Zoals op zitting met partijen is besproken, is er alleen sprake van een duurzame relatie als eiseres en referent aannemelijk hebben gemaakt dat zij een relatie hebben met elkaar die zo ongeveer hetzelfde is als de relatie van twee gehuwde personen. Dit staat in paragraaf B7/3.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht vinden dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij zo’n relatie met elkaar hebben. De rechtbank legt hieronder uit waarom dat zo is.
8.1.
Ten eerste heeft verweerder terecht in haar beoordeling meegenomen dat referent tijdens de hoorzitting van 21 maart 2024 geen antwoord kon geven op vragen over eiseres waarvan normaal gesproken verwacht mag worden dat partners dit van elkaar weten. Dit is ook op de zitting besproken. Zo weet referent onder meer niet hoelang geleden de man van eiseres is overleden, of haar ouders nog leven, waar eiseres van leeft, of zij naar school is geweest, of eiseres ooit heeft gewerkt, of ze nog familie in [land] heeft en of eiseres nog broers of zussen heeft. Referent weet ook de namen van de kleinkinderen van eiseres niet. De rechtbank wil best geloven dat referent, door zijn ongeluk en het feit dat hij soms vergeetachtig en verward is, niet elke vraag kan beantwoorden, maar zijn toestand biedt geen verklaring voor het niet kunnen beantwoorden van al deze vragen. De antwoorden die referent in de beroepsgronden alsnog geeft, zijn te laat. Dat is zo omdat de rechtbank in deze zaak een beoordeling moet maken op basis van de feiten op het moment van het nemen van het bestreden besluit.
8.2.
Ten tweede mocht verweerder in haar beoordeling meenemen dat de toegezonden foto’s en schermopnames van Whatsapp-berichten onvoldoende aannemelijk maken dat eiseres en referent een duurzame relatie hebben.
8.3.
De verklaring van referent, namelijk dat hij wel degelijk veel tijd met eiseres heeft doorgebracht en dat zij een bijzondere band met elkaar hebben opgebouwd, kan het missen van het hebben van een duurzame relatie niet goedmaken.
8.4.
De rechtbank begrijpt dat eiseres en referent zich in een lastige positie bevinden. Zij wonen ver uit elkaar en referent kan vanwege zijn gezondheid niet naar [land] vliegen. Het is daardoor moeilijk voor referent om zijn relatie met eiseres verder te ontwikkelen. Verweerder heeft op de zitting in reactie hierop echter terecht aangegeven dat deze omstandigheden niet betekenen dat de regels niet meer hoeven te worden gevolgd. De regels stellen nu eenmaal als voorwaarde dat de relatie tussen eiseres en referent een duurzame relatie moet zijn, en daarvan is niet gebleken.
9. Gelet op wat hierboven is overwogen, mocht verweerder vinden dat er tussen eiseres en referent geen familieleven is dat beschermd moet worden zoals internationaal is afgesproken in artikel 8 van het EVRM.
Is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel (beroepsgrond 3) en/of het zorgvuldigheidsbeginsel? (beroepsgrond 4)
10. Eiseres heeft niet aangetoond dat verweerder in vergelijkbare gevallen anders heeft gehandeld. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is daarom geen sprake. De informatie die verweerder heeft gekregen van familie van referent is verder niet van doorslaggevend belang geweest voor de afwijzing van de aanvraag. Daardoor is er geen sprake van een onzorgvuldigheid die maakt dat het besluit niet rechtmatig is.
Conclusie
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgronden niet slagen en dat verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
12. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening niet meer inhoudelijk te beoordelen. Dit verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
13. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.
Dit was eerst de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (afgekort: Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.